Appellant, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, sloot in 2005 een vaststellingsovereenkomst met de minister, waarbij hij met ingang van september 2005 ontslag kreeg en een uitkering tot een vastgestelde einddatum in 2017. In 2017 verzocht appellant om verlenging van de uitkering tot de toen geldende AOW-leeftijd van 66 jaar en een maand, wat door de minister werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat partijen bij de overeenkomst hadden bedoeld aan te sluiten bij de toen geldende AOW-leeftijd van 65 jaar, en dat latere wijzigingen geen aanleiding geven tot aanpassing van de afspraken. De Raad bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overweegt dat de vaststellingsovereenkomst gebonden is aan het rechtszekerheidsbeginsel en dat geen sprake is van wilsgebrek of bijzondere omstandigheden die wijziging rechtvaardigen. De expliciete einddatum in 2017 maakt deel uit van de afspraken, en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen toekomstige wijzigingen in de AOW-leeftijd hadden willen betrekken.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt het besluit van de minister om de uitkering niet te verlengen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.