Eiseres en gedaagde huren sinds 1986 gezamenlijk een woning en hebben in 1994 een samenlevingscontract gesloten. Eiseres heeft de samenlevingsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juni 2021, maar partijen wonen nog steeds samen in de woning.
Eiseres vordert in kort geding het exclusieve gebruiksrecht van de woning toe te wijzen, stellende dat haar woonbelang prevaleert vanwege haar sociale contacten, vrijwilligerswerk, financiële bijdrage aan de woning en medische toestand. Gedaagde betwist het spoedeisend belang en stelt dat eiseres alternatieve woonruimte heeft bij haar dochter, terwijl hij zelf geen alternatief heeft. Tevens voert hij eigen medische omstandigheden en sociale bindingen aan.
De kantonrechter overweegt dat voor toewijzing in kort geding een spoedeisend belang en grote mate van waarschijnlijkheid van succes in de bodemprocedure vereist is. Dit is niet aannemelijk gemaakt omdat de belangen door gedaagde gemotiveerd zijn betwist en de situatie van samenwonen nog niet acuut onhoudbaar is. Daarom wordt de vordering afgewezen en eiseres veroordeeld in de proceskosten.