Werknemer trad in augustus 2019 in dienst bij Bomacon B.V. en zegde zijn dienstverband schriftelijk op per 1 april 2021 vanwege een nieuwe baan. Werkgever stelde dat een opzegtermijn van een maand in acht moest worden genomen, waardoor de opzegging per 1 mei 2021 gold. Werknemer stopte echter per 1 april met werken omdat zijn verzoek om verlof werd geweigerd, waardoor hij niet tijdig bij zijn nieuwe werkgever kon beginnen.
De kantonrechter oordeelde dat de oorspronkelijke onregelmatige opzegging per 1 april 2021 in overleg was omgezet in een geldige opzegging per 1 mei 2021. Het voortijdig stoppen met werken per 1 april was echter onrechtmatig, omdat geen dringende reden bestond voor onmiddellijke beëindiging. De weigering van verlof en het risico op verlies van de nieuwe baan vormden geen dringende reden.
Daarom werd werknemer schadeplichtig gesteld en veroordeeld tot betaling van één maand salaris aan de werkgever als schadevergoeding. De loonvordering van werknemer over april 2021 werd afgewezen, maar werkgever werd veroordeeld tot betaling van opgebouwde vakantietoeslag en niet opgenomen verlofdagen. De proceskosten werden aan werknemer opgelegd.