Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair) dan wel zwaar te verwonden (
subsidiair) door met een personenauto op hen in te rijden en/of te proberen hen aan te rijden.
3.De beoordeling van het bewijs
zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt.
zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt’. Reeds daarom is er geen sprake van het in strijd handelen met de Keskin-jurisprudentie en dus geen sprake van een vormverzuim. In dat geval geldt volgens recente jurisprudentie van de Hoge Raad (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1279) de standaard motiveringsplicht voor het horen van getuigen. Dit betekent dat de verdediging moet toelichten waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak op grond van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) te nemen beslissing. Aan deze maatstaf heeft de rechtbank (zoals de rechtbank eerder ook had gedaan) getoetst en daarbij bevonden dat het horen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] over het schietincident niet relevant is voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Dit betekent dat het ondervragingsrecht niet is geschonden en dat evenmin sprake is van een ander vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het verweer van de verdediging wordt daarom gepasseerd.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiair tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
- geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van de verdachte, ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot heden begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten van de verdachte, ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot heden begroot op nihil.