4.3.[verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] voert ook aan dat het non-concurrentiebeding - voor zover al overeengekomen - op grond van de formulering van het ‘Addendum’ (zie 2.3. en bijlage 7 verzoekschrift) geen werking meer heeft omdat daarin verwezen is naar de arbeidsovereenkomst van 5 januari 2009. Subsidiair voert zij aan dat het non-concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken doordat zij (naar de tekst van het beweerdelijk rechtsgeldige document) op initiatief van haar werkgeefster gepromoveerd was tot bedrijfsleider/vestigingsmanager. De non-concurrentiebepalingen hadden daarom naar haar overtuiging (al dan niet in hetzelfde ‘Addendum’) opnieuw schriftelijk vastgelegd moeten worden.
4.3.1.Partijen hebben naar aanleiding van dit standpunt (ook al in vorige procedures maar toen vooral met het oog op de betekenis van de beweerde nieuwe functieaanduiding voor het ontslag en de naweeën daarvan) uitgebreid gediscussieerd over de vraag of het document waar [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] zich op beroept, vervalst is. [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] stelt zich op het standpunt dat dit stuk waarvan zij beweert het origineel in bezit te hebben en dat zij ter zitting desgevraagd aan het procesdossier heeft laten toevoegen, door [naam 2] persoonlijk ondertekend is en dat [naam 2] tevens het initiatief tot het opmaken van het stuk genomen zou hebben. Volgens Vita Natura is daarvan absoluut geen sprake en kan dit niet anders dan een door [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] zelf vervaardigde vervalsing zijn.
4.3.2.Het heeft er naar het oordeel van de kantonrechter alle schijn van dat Vita Natura op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft. Het door [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] ter zitting overgelegde ‘origineel’ bevat namelijk een handtekening van [naam 2] die bij nadere bestudering exact hetzelfde patroon vertoont als de handtekening die Vita Natura aangetroffen heeft in een digitaal bestand dat op de (H:)drive van [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] staat (bijlage 5 van de zijde van Vita Natura). Dat [naam 2] juist voor die belangrijke vastlegging van een functieverandering gebruik gemaakt zou hebben van haar meisjesnaam (hetgeen zij in andere stukken die de arbeidsovereenkomst van [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] aangaan, nimmer deed) en terug zou grijpen op een digitale handtekening die aan haar gedateerde paspoort ontleend schijnt te zijn, is uiterst onwaarschijnlijk. Ook is het in dit verband opmerkelijk te noemen dat [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] zich in een eerdere procedure ook op het ‘Addendum’ beriep maar dat dit stuk er toen aanmerkelijk anders uitzag: het bevatte een nieuw logo dat Vita Natura (nog) niet gebruikte in 2013. De uitleg die [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] daarvoor nu hanteert, houdt in dat de eerste versie van de digitale handtekening van [naam 2] voorzien was en dat [naam 2] pas in een later stadium alsnog het stuk van haar reële handtekening voorzag. Hoe en wanneer dit gebeurde en waarom het ‘originele’ stuk dan in haar bezit is en niet in de administratie van Vita Natura achtergebleven is, onthult [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] niet. Volgens [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] was zij ten tijde van eerder gevoerde procedures tussen partijen wel in het bezit van het ‘originele’ stuk, maar kon zij het om een of andere reden niet meer terugvinden. Daarom, zo beweert zij, heeft zij destijds een door haar collega [naam hoofd boekhouding] (hoofd boekhouding) op briefpapier met het nieuwe logo uitgedraaide kopie van het digitaal ondertekende addendum overgelegd. Die uitleg neemt de twijfel over de authenticiteit van de handtekening op het volgens [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] ‘originele Addendum’ niet weg. Ook de digitale handtekening van [naam 2] op dit laatste stuk lijkt (in detail) zodanig veel op de handtekening die prijkt onder het (volgens [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] ) originele document dat de ernstige twijfel over de vraag of de handtekening op dat laatstgenoemde stuk door [naam 2] persoonlijk gezet is, daarmee allerminst weggenomen is. Anders dan (de gemachtigde van) [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] ter zitting bepleitte, ligt het niet op de weg van Vita Natura om aan te tonen dat de handtekening op het zogenaamde ‘Addendum’ vals is. De gemotiveerde stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het verweer dat [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] niet (meer) gebonden is aan het non-concurrentieverbod omdat [naam 2] haar tot bedrijfsleider /vestigingsmanager promoveerde, liggen geheel bij [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] , die zich op de dwingende bewijskracht van deze onderhandse akte beroept. Desalniettemin zal aan [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] op dit punt geen bewijsopdracht gegeven worden. Zelfs als het ‘Addendum’ wel door [naam 2] ondertekend mocht zijn, moet het verzoek van [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] om Vita Natura het recht te ontzeggen zich op het non-concurrentiebeding te beroepen, afgewezen worden. Dit volgt uit de hierna volgende overwegingen.
4.3.3.[verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] heeft gelijk als zij stelt dat het ‘Addendum’ verwijst naar de arbeidsovereenkomst van 5 januari 2009. Haar conclusie dat door deze verwijzing vaststaat dat het non-concurrentiebeding vanaf het moment van ondertekening, 1 maart 2013, niet meer geldt omdat de arbeidsovereenkomst van 5 januari 2009 toen niet meer gold, moet als onjuist verworpen worden. Het al dan niet door het voorgaande van echtheid ontdane stuk vermeldt immers in de aanhef dat het gaat om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die tussen partijen in 2013 bestond. Daarvan was eerst sprake bij aanvang van de op
5 december 2011 aangegane arbeidsovereenkomst en niet die van 5 januari 2009. De opsteller van het document ( [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] zelf?) moet zich dus vergist hebben maar aan die vergissing valt geen rechtsgevolg te verbinden. De volledige inhoud van het betwiste document laat geen andere uitleg toe dan dat een beweerdelijk overeengekomen functiewijziging plaatsvond onder instandhouding en vernieuwing van alle overigens tussen partijen eerder overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Dat blijkt ook wel uit het feit dat dit in punt 2. van het stuk van 1 maart 2013 vermeld is: “Dit addendum zal aan de
geldende[onderstreping door kantonrechter]arbeidsovereenkomst worden gehecht (…).”
4.3.4.[verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] voert verder aan dat in het betwiste document het non-concurrentiebeding uitdrukkelijk opnieuw schriftelijk overeengekomen had moeten worden omdat door de functiewijziging het non-concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Ook dit argument kan niet tot toewijzing van [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] verzoek leiden. Zelfs als van de authenticiteit van de handtekening van [naam 2] op het ‘Addendum’ en de daarin opgenomen wijziging van [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] functie in die van bedrijfsleider/vestigingsmanager dient te worden uitgegaan (beide aspecten zijn door Vita Natura gemotiveerd betwist), dan nog heeft [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] op dit onderdeel vergaand onvoldoende gesteld. Het enkele (gestelde) feit dat [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] functie mettertijd wijziging onderging, is immers onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het non-concurrentiebeding zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst van 5 december 2011 zwaarder is gaan drukken. Voor dat laatste is namelijk nodig dat vast komt te staan dat het door een importante functiewijziging voor [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] na het einde van de arbeidsovereenkomst moeilijker geworden is om, met inachtneming van het non-concurrentiebeding, een andere gelijkwaardige functie elders te verwerven. [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] heeft daarover in het geheel niets gesteld. Daarnaast heeft zij onbetwist gelaten dat in een onderneming die in totaliteit over slechts vijf (hoogstens zes) in Kerkrade werkzame werknemers beschikt, weliswaar in de loop der tijd voor alle functies geleidelijke verschuivingen plaatsvinden, maar dat dit nog niet betekent dat aan een toedeling van enige leidinggevende verantwoordelijkheid de consequentie verbonden zou moeten worden dat daardoor een non-concurrentiebeding ‘zwaarder gaat drukken’. Voor alle werknemers in deze kleine setting geldt op basis van de gemaakte afspraken dat zij hun werkgever na het einde van het dienstverband niet mogen gaan beconcurreren vanuit een eigen bedrijfje. Of zij voordien nu een min of meer verantwoordelijke functie vervulden of niet, maakt voor de gelding van de opgelegde beperkingen weinig verschil. Dat het ‘zwaarder drukken’ [verzoekster, tevens verweerster ten aanzien van de tegenverzoeken] er toe gebracht heeft zich van het beding niets aan te trekken, is alleen al twijfelachtig omdat zij zich in de e-mailcorrespondentie met ‘ [naam 3] ’ ten volle bewust toonde van de plicht die op haar rustte, doch alleen geprobeerd heeft schendingen van haar verplichting tot het uiterste te verhullen.