Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Inleiding
- de officier van justitie niet-ontvankelijk kan worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor zover het betreft de feiten 3 en 4. De verdachte is namelijk reeds in België op 15 november 2018 (onherroepelijk) veroordeeld wegens die feiten;
- feit 1 bewezen kan worden met dien verstande dat sprake is van ‘medeplegen van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen’;
- feit 2 bewezen kan worden;
- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als het voorarrest opgelegd kan worden;
- de vorderingen van de benadeelde partijen integraal toegewezen kunnen worden, met dien verstande dat het beslag zal worden aangewend ter voldoening daarvan.
- de rechtbank niet gebonden is aan het afdoeningsvoorstel; het blijft een ‘voorstel’ aan de rechtbank dat de rechtbank na beraad kan volgen of niet kan volgen;
- de rechtbank de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Wetboek van Sv) onverkort hanteert bij haar beoordeling;
- de rechtbank het onderzoek heropent indien niet wordt voldaan aan enig strafrechtelijk of strafvorderlijk belang en (waardoor) de belangen van enige betrokkene, de maatschappij of juridische waarborgen in het geding zijn;
- de rechtbank het onderzoek heropent indien zij van oordeel is dat er op basis van het dossier onvoldoende grond bestaat voor een vaststelling van schuld, de kwalificatie van de feiten evident niet aansluit bij de inhoud van het dossier en de gekozen kwalificatie leidt tot miskenning van strafvorderlijke en maatschappelijke belangen, dan wel wanneer zij de voorgestelde straf niet passend acht.
- indien procespartijen overeenstemming hebben over de beslispunten in een zaak;
- die beslissingen steun vinden in het recht, in het dossier en de concrete omstandigheden van de zaak; en
- de belangen van alle partijen, maar ook van slachtoffers en de maatschappij, gediend worden.
2.Niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie (feiten 3 en 4)
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
- de aard en ernst van de feiten;
- de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan;
- de persoon van de verdachte;
- de straffen die doorgaans worden opgelegd voor soortgelijke feiten, waarbij rekening gehouden dient te worden met:
- de zeer forse schending van de redelijke termijn en de vermindering van de straf die die overschrijding met zich brengt, nu het een brandstichting uit september 2012 en een bedreiging uit 2014 betreft;
- artikel 63 van Pro het Wetboek van Sr;
- de omstandigheid dat de verdachte nadien nog in België is veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf voor met de onderhavige feiten samenhangende strafbare feiten.
7.Het beslag
8.De benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart de feiten 1 en 2 bewezen zoals hierboven onder 3 omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf van 148 dagen;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;