Conclusie
1.Inleiding en aanleiding
2.De uitspraak van de rechtbank
3.Overzicht feitenrechtspraak
fairzijn, waarbij is bekeken of de straf niet te hoog is en de mogelijke gevolgen van het afzien van de onderzoekswensen en het instellen van hoger beroep werden beoordeeld. De rechtbank geeft aan dat zij in het kader van de
overall fairnessvan de procedure heeft gewaakt over de interne en externe openbaarheid. Verder gaat de rechtbank in op de eigen verantwoordelijkheid die de officier van justitie draagt voor de procesafspraken en de grote mate van vrijheid die de officier van justitie daarbij heeft in het licht van het opportuniteitsbeginsel. Volgens de rechtbank rust op haar de taak om te toetsen of de straf die zij uiteindelijk oplegt niet te laag is “een en ander afgezet tegen de vastgestelde feiten en omstandigheden, de na te streven doelen van straf, het algemeen belang en andere soortgelijke gevallen”. De rechtbank overweegt dat de door de procespartijen voorgestelde straf valt binnen een bandbreedte van een derde onder de straf die in deze zaak eigenlijk zou kunnen/moeten worden opgelegd, hetgeen ook in internationaal verband wordt gezien als een reële bandbreedte. Ten slotte geeft de rechtbank aan waarom in haar ogen de “strafkorting”, die hier aan de orde is, in het algemeen belang te rechtvaardigen is. Daarbij geeft zij onder meer aan dat de matiging relatief is omdat strafmatiging ook aan de orde zou zijn als de zaak pas over jaren zou zijn uitgeprocedeerd en wijst zij op het feit dat de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die leidt tot tijdswinst die in het algemeen belang wordt ingezet om andere zaken te behandelen en zo de strafrechtspleging te dienen.
Koers en Kansen. Dit programma heeft als doel een visie voor de sanctie-uitvoering in brede zin te ontwikkelen, waarbij de doelen van vergelding en resocialisatie centraal staan. [25] Het project bij de rechtbank Oost-Brabant, bekend onder de noemer ‘wijkrechtbank’ [26] , heeft tot doel om op maatschappelijk relevante wijze te interveniëren bij verdachten met “multi-problematiek”. [27] Het gaat hierbij om politierechterzaken met als voorwaarde dat de verdachte bekent of de feiten zo duidelijk zijn, dat de advocaat zich kan refereren aan het bewijs. In gezamenlijk overleg tussen de verdachte, de advocaat, het Openbaar Ministerie en de reclassering wordt voorafgaand aan de terechtzitting tot een door ieder gedragen voorstel tot afdoening van de zaak gekomen dat aan de rechter wordt voorgelegd. Voor het (eventuele) slachtoffer is Slachtofferhulp Nederland betrokken. De in het voorstel gekozen afdoeningsmodaliteit betreft meestal een voorwaardelijk strafdeel met een op de situatie van verdachte toegesneden pakket aan bijzondere voorwaarden teneinde recidive zoveel als mogelijk te beperken. De verdachte heeft mee kunnen denken over die voorwaarden en heeft zich daaraan gecommitteerd. Het project is (ook) bedoeld als alternatief voor voorwaardelijk sepots waarbij minder mogelijkheden zijn en die vaak meer tijd kosten. Door rechterlijke tussenkomst wordt ook getracht de legitimiteit van de afdoening te vergroten. [28]
4.Vraagstelling en opbouw van het vervolg van deze vordering
Legaliteit; het ontbreken van een op procesafspraken toegesneden wettelijke regeling
lawaanmerkt, als het maar voldoet aan de vereisten van
accessibilityen
foreseeability: het recht moet toegankelijk zijn en het overheidsoptreden voorzienbaar. [38] De enkele omstandigheid dat een op procesafspraken toegesneden wettelijke regeling ontbreekt, betekent niet dat een procedure waarbij procesafspraken aan de orde zijn als zodanig niet verenigbaar is met art. 6 EVRM Pro. Daarbij moet worden bedacht dat procesafspraken mede het belang van de verdachte kunnen dienen. Voor zover in dat verband sprake is van afstand van rechten, zal die afstand worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader van het EHRM, dat hierna zal worden besproken.
Enkele uitgangspunten van het strafproces, de rol van procesdeelnemers en ontwikkelingen ten aanzien van consensualiteit
de-auditu-praktijk werd positief gewaardeerd en met de eisen van het EVRM niet onverenigbaar geacht. De regering stelde daarom voor de “bestaande procestraditie”, waarin strafzaken in beginsel kunnen worden afgedaan op basis van de stukken en het verhoor van de verdachte ter terechtzitting, voort te zetten. Als voordelen van die traditie noemde de minister de doelmatigheid ervan en de rust en afstandelijkheid die deze procescultuur met zich brengt. [43] Onze procescultuur leidt ertoe dat zittingen – ten opzichte van ons omringende landen – in de regel binnen een kort tijdsbestek kunnen worden afgedaan. Daarmee kan ook worden bevorderd dat de berechting plaatsvindt binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
Keskin tegen Nederlandingescherpt dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In die gevallen moet indringender dan voorheen werd aangenomen de vraag onder ogen worden gezien of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd. [46] Het is niet uit te sluiten dat de recente toename en bredere verspreiding van procesafspraken in strafzaken mede samenhangt met de invloed van de rechtspraak over het ondervragingsrecht op de belasting van de strafrechtspleging.
dominus litis. Het Openbaar Ministerie heeft het monopolie ten aanzien van het instellen van strafvervolgingen. De officier van justitie heeft een grote mate van vrijheid bij de beslissing of, en zo ja, voor welke feiten hij de verdachte zal vervolgen. Het opportuniteitsbeginsel brengt mee dat de officier van justitie kan afzien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend (art. 167, eerste en tweede lid, Sv en art. 242, tweede lid, Sv). Ook kan hij na het betekenen van de dagvaarding binnen de grenzen van de artikelen 312 en 313 Sv de tenlastelegging aanvullen of wijzigen. De vrijheid van het Openbaar Ministerie om strafbare feiten al dan niet te vervolgen, is echter niet onbegrensd. Zo functioneren de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, als correctiemechanismen. Belanghebbenden kunnen op grond van art. 12 Sv Pro klagen over de beslissing van de officier van justitie om niet (verder) te vervolgen en burgers maken onder omstandigheden ook aanspraak op bescherming door toepassing van het strafrecht (waaronder vervolging) op grond van positieve verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM.
common lawsystemen, waarbij – globaal gezegd – veeleer de nadruk ligt op formele waarheidsvinding, waarbij het Openbaar Ministerie en de verdediging hun lezingen van de waarheid aan de rechter presenteren en sprake is van een partijenproces. In die systemen past het model van
plea bargaining,dat in de kern inhoudt dat bij een
guilty pleavan de verdachte niet een volledig onderzoek naar de schuldvraag wordt verricht. De rol van de strafrechter verschilt in dit opzicht ook ten opzichte van de civiele rechter. Indien de rechter tijdens de mondelinge behandeling van een zaak een schikking beproeft en de partijen komen tot een schikking, dan worden de gemaakte afspraken in het proces-verbaal van de zitting opgenomen (art. 87, tweede lid, Rv). Voor de strafrechter is met wilsovereenstemming tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte de kous nog niet af.
plea bargainingnaar aanleiding van een motie van het Kamerlid Dittrich. [84] Op basis van de onderzoeksresultaten heeft de minister vervolgens laten weten geen aanleiding te zien een op het model van
plea bargaininggelijkende procedure in het Nederlands systeem in te voeren. [85] Het Nederlandse inquisitoire stelsel en de daarbij behorende procestraditie zouden volgens de minister te zeer in de weg staan aan een succesvolle en effectieve introductie van een dergelijke rechtsfiguur in het Nederlandse strafprocesrecht. Daarbij achtte de minister het noch wenselijk noch waarschijnlijk dat de actieve rol van de rechter in het eindonderzoek kan worden gereduceerd tot de rol van marginale toetser van het resultaat van de overeenstemming die tussen officier van justitie en verdediging is bereikt.
ad informandum. Deze, niet in de wet verankerde, praktijk is door de Hoge Raad in 1979 aanvaard [87] en houdt kort gezegd in dat bepaalde feiten door het Openbaar Ministerie buiten de tenlastelegging om aan de rechter worden voorgelegd. [88] Zo kan bij een veelpleger worden volstaan met de tenlastelegging van enkele inbraken, terwijl de overige inbraken
ad informandumworden gevoegd. Vervolgens kan de rechter – zonder dat hij ten aanzien van deze feiten de vragen van artikelen 348 en 350 Sv hoeft te beantwoorden – bij de straftoemeting rekening houden met deze feiten, maar verplicht is hij daartoe niet. [89] Als voorwaarden gelden 1) dat op grond van de erkenning van de verdachte van het feit [90] aannemelijk is geworden dat hij het feit heeft begaan, 2) dat geen vervolging meer ter zake van dat feit plaatsvindt en 3) dat voorafgaand aan de zitting wordt medegedeeld dat het feit
ad informandumwordt toegevoegd. Hoewel de voeging
ad informandumin het kader van de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel inmiddels wel wordt genoemd in art. 361, tweede lid, onderdeel b, Sv en art. 36f, eerste lid, Sr, is de afdoening als zodanig (nog) niet geregeld in de wet. [91]
Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethodenin 1996 een wettelijke regeling werd gecreëerd, die uiteindelijk pas op 1 april 2006 in werking is getreden. [94] Daarom is het interessant te bezien welke koers de Hoge Raad voer ten aanzien van toezeggingen aan getuigen voordat deze een expliciete wettelijke basis hadden.
NJ1998, 799 relevant:
kroongetuigeen van de inhoud van de met deze gemaakte afspraak. Opmerkelijk daarbij is wel dat de Hoge Raad onder omstandigheden ook toezeggingen toelaatbaar achtte waarvan de wetgever later niet heeft willen weten. Dat gold bijvoorbeeld voor toezeggingen die direct of indirect strekten tot algehele strafrechtelijke immuniteit. [98] Andere toelaatbaar geachte toezeggingen hadden bijvoorbeeld betrekking op strafvermindering, de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel [99] en de wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. De toezegging dat een eventueel door de rechter op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zou worden gelegd heeft de Hoge Raad ontoelaatbaar geacht. [100]
gunstbetoon. Omdat het afspraken betreft die verband houden met de toepassing van bevoegdheden die de officier van justitie zonder tussenkomst van een rechter kan uitoefenen, zijn deze afspraken niet afzonderlijk voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv.
Stb.2006, 470), de bevoegdheid gekregen om slechts expliciete, door de procespartijen aangebrachte, bezwaren tijdens de behandeling ter terechtzitting te behandelen. [106] Het gevolg hiervan is dat de appelrechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet alle ten laste gelegde feiten hoeft te bespreken en de onbestreden onderdelen van het vonnis in beginsel ongemoeid kan laten. [107]
plea bargaining. In de gevallen waarin wetgevende macht heeft laten blijken een variant niet te willen, zal de rechter in het licht van een evenwichtige verdeling tussen de staatsmachten een pas op de plaats moeten maken.
a fortiorivoor procesafspraken in het algemeen.
7.Rechtsvergelijking: procesafspraken in Duitsland, Oostenrijk en België
plea bargainingworden gebracht. [116] Tegen die achtergrond is een korte rechtsvergelijkende schets aangewezen. Voor een meer uitgebreid rechtsvergelijkend onderzoek verwijs ik naar twee boeken van Peters. In haar dissertatie uit 2012 beschrijft zij de relevante wettelijke regelingen in Italië, Duitsland en Frankrijk. In haar boek uit 2018, getiteld
Dealen met ondermijningsdelicten, besteedt zij onder meer aandacht aan de wetgeving over procesafspraken in België en Zwitserland.
Strafprozessordnunggecodificeerd. Evenals in Nederland, bestond er dus geen wettelijke basis voor het maken van procesafspraken vóórdat aan de Duitse hoogste gerechten de vraag werd voorgelegd of, en zo ja, onder welke voorwaarden procesafspraken mochten worden gemaakt. Ook om die reden is een studie van het Duitse recht voor deze vordering relevant.
gerichtlicher Aufklärungspflicht). [117] De beginselen van
Unmittelbarkeit(onmiddellijkheid) en
Mundlichkeitspelen daarbij een belangrijke rol: in beginsel worden alle getuigen en deskundigen tijdens het openbare onderzoek ter terechtzitting gehoord en kan de rechter verzoeken van de verdediging tot nader bewijsonderzoek alleen onder zeer strikte voorwaarden afwijzen. [118] Een en ander brengt mee dat strafprocedures in Duitsland zeer veel tijd in beslag (kunnen) nemen. [119] Dat verklaart mede de behoefte om afspraken te maken die kunnen leiden tot een eerdere beëindiging van de procedure.
Verständigung zwischen Gericht und Verfahrensbeteiligten(hierna:
Verständigung). De
Verständigungvormt in grote lijnen de codificatie van rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht en het Bundesgerichtshof, waarin het maken van procesafspraken onder bepaalde voorwaarden sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw werd toegestaan. Daaraan ging sinds de jaren zeventig al een praktijk vooraf waarin op grond van informeel (niet-openbaar) overleg afspraken werden gemaakt tussen het Openbaar Ministerie, de verdediging en de rechter. Deze praktijk ontstond doordat de strafrechtspleging in die tijd steeds meer overbelast raakte en de wetgever daarop reageerde met enkele wetten die als neveneffect hadden dat procespartijen de mogelijkheid zagen om meer met elkaar te communiceren en consensus te zoeken. [120] Peters heeft zeer uitgebreid onderzoek gedaan naar de Duitse wettelijke regeling en de geschiedenis van totstandkoming daarvan. Ik vat hierna kort de argumenten samen die in de door haar besproken Duitse literatuur zijn genoemd vóór en tegen de mogelijkheid van het maken van procesafspraken. Daarna bespreek ik de belangrijkste uitspraken van het Bundesverfassungsgericht en het Bundesgerichtshof over procesafspraken en de daaropvolgende wettelijke regeling. Ik eindig met de bespreking van het evaluatieonderzoek dat onlangs heeft plaatsgevonden naar de praktijk van de
Verständigung. [121]
ein faires, rechtsstaatliches Verfahren) en de plicht van de staat om te zorgen voor een goed functionerende strafrechtspleging (
eine funktionstüchtige Strafrechtspflege) voorop en overwoog dat de beginselen van strafvordering niet verbieden dat er buiten het onderzoek ter terechtzitting een gesprek plaatsvindt tussen de verschillende procesdeelnemers over het verloop en de afloop van de procedure. Er mogen echter geen afspraken worden gemaakt over de rechterlijke onderzoeksplicht, de juridische kwalificatie van het ten laste gelegde feit en de beginselen van de straftoemeting. Het toezeggen van een straf die niet in redelijke verhouding staat tot de schuld zou in strijd zijn met § 136a StPO – de verdachte zou tot een bekentenis worden gedwongen door een belofte van een niet bij de wet voorzien voordeel – en was niet toegestaan; de enkele mededeling dat een bekentenis kan leiden tot een lagere straf was volgens het Bundesverfassungsgericht niet in strijd met deze bepaling. [123]
eine Absprache über den Schuldspruch). De rechter moet zelf vaststellen of de verdachte daadwerkelijk schuldig is en zal daartoe de betrouwbaarheid van de afgelegde bekentenis moeten toetsen en aldus bewijsonderzoek moeten doen.
Rechtsmittelverzicht) is niet toegestaan. De verdachte kan pas na het wijzen van het vonnis afstand doen van zijn recht op het instellen van een rechtsmiddel.
Schuldeinsicht und Reue), maar uit tactische overwegingen.
Sanktionsschere) niet te groot mocht worden. Dat zou immers kunnen leiden tot een onacceptabele druk op de verdachte om mee te werken aan een afspraak. Een
Rechtsmittelverzichtwas volgens de grote senaat in beginsel verboden. De grote senaat eindigde zijn uitspraak met een oproep aan de wetgever om een wettelijke regeling tot stand te brengen, omdat het primair aan de wetgever is om de fundamentele vragen te beantwoorden over de inrichting van het strafproces en daarmee over de regels waarmee het maken van procesafspraken moet worden omgeven.
Strafprozessordnungonder de aanhef ‘Verständigung zwischen Gericht und Verfahrensbeteiligten’. In grote lijnen codificeerde de wetgever hiermee de rechtspraak van het Bundesgerichtshof. De regeling houdt in hoofdlijnen het volgende in.
Nebenklägerheeft gevoegd in de strafprocedure mag zich uitlaten over de afspraak, maar zijn instemming is niet noodzakelijk voor de totstandkoming daarvan. [133]
Strafrahmenniet meer in overeenstemming is met de ernst van het feit of de schuld van de verdachte. Hetzelfde geldt als de procesgedragingen van de verdachte afwijken van de afspraak. Als de rechter om (een van) de voornoemde reden(en) voornemens is af te wijken van de afspraak, dient hij de procespartijen daarvan zo spoedig mogelijk in kennis te stellen. Er volgt dan een reguliere contradictoire procedure met dezelfde rechter(s), waarin de in het kader van de eerder gemaakte afspraak afgelegde bekentenis geen rol meer mag spelen.
Verständigungniet doen verstommen. [139] Nog steeds wordt betwijfeld of de doelstelling van materiele waarheidsvinding zich laat verenigen met het maken van procesafspraken, zeker omdat het Duitse strafproces zich zo sterk kenmerkt door een mondeling en onmiddellijk onderzoek ter terechtzitting. Verder rijst de vraag of de rechter, gelet op diens actieve rol bij het maken van afspraken, nog wel onpartijdig kan fungeren in het strafproces als de afspraken mislukken en het tot een regulier contradictoir strafproces komt. De vraag is opgeworpen of het niet beter zou zijn om een vaste strafkorting van (bijvoorbeeld) twintig/dertig procent te geven, en of de verdachte geen verplichte rechtsbijstand zou moeten hebben als procesafspraken worden gemaakt. Betwijfeld wordt verder of, bij een mislukte afspraak, de reeds door de verdachte afgelegde bekentenis (die niet voor het bewijs mag worden gebruikt) door de rechter nog kan worden ‘weggedacht’. En gewezen wordt op het risico van ongelijke toegang tot de mogelijkheid van het maken van procesafspraken.
Verständigung. [140] Het Bundesverfassungsgericht wijst in zijn uitspraak van 19 maart 2013 [141] op empirisch onderzoek, waaruit blijkt dat de voornaamste reden waarom de wettelijke regeling niet wordt nageleefd, is gelegen in de beperkingen ten aanzien van de mogelijke inhoud van een
Verständigung, de verplichtingen ten aanzien van transparantie en documentatie en het verbod op het doen van afstand van rechtsmiddelen. Het Bundesverfassungsgericht heeft in zijn uitspraak benadrukt dat de wettelijke regeling moet worden nageleefd [142] en heeft de wetgever in dezelfde uitspraak verzocht om de verdere ontwikkeling van de praktijk van de
Verständigungnauwlettend in de gaten te houden.
Verständigungplaatsgevonden, waarvan de resultaten in 2020 zijn gepubliceerd. [143] Daaruit bleek dat er nog steeds een informele praktijk van procesafspraken bestaat [144] en dat de grond voor die informele praktijk hoofdzakelijk is gelegen in de wens het proces te versnellen terwijl de wet daarvoor geen ruimte biedt. [145] Bovendien bestaan er veel onduidelijkheden over de vraag wat onder de huidige wettelijke regelgeving wel en niet toelaatbaar is. Ook blijkt uit het onderzoek dat niet altijd (volledig) wordt voldaan aan de verplichting om tijdens het onderzoek ter terechtzitting openheid van zaken te bieden over de in de voorfase gemaakte afspraken en dat gemaakte afspraken niet altijd in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting worden opgenomen. Verder komt het in de praktijk voor dat een concrete straf (
Punktstrafe) onderdeel uitmaakt van de gemaakte afspraken, terwijl volgens de wet de afspraak alleen een onder en bovengrens van de straf mag inhouden. [146] Rechters blijken minder snel bereid afspraken te maken met verdachten die geen rechtsbijstand hebben. Het
Rechtsmittelverzichtvormt zo nu en dan nog steeds onderdeel van de gemaakte afspraken. De onderzoekers concluderen dat een informele praktijk van procesafspraken veel groter is bij de
Amtsgerichtedan bij de
Landgerichte, [147] waar deze praktijk door ondervraagde rechters als een “ein seltenes bis kaum existentes Phänomen” wordt bestempeld.
Landgerichtede wettelijke voorschriften ten aanzien van transparantie en verslaglegging over het algemeen goed lijken te worden nageleefd. Het Hof vervolgt dat er geen bewijs bestaat dat de bestaande wetgeving eraan bijdraagt dat wordt teruggevallen op informele afspraken en overweegt dat de bestaande handhavingstekorten de verplichting voor de wetgever onderstrepen om de verdere ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden en ongewenste ontwikkelingen met gepaste maatregelen tegen te gaan. Informele afspraakvormen acht het Bundesverfassungsgericht (nog altijd) ongrondwettig. [148]
Wahrheitserforschung,§ 3, derde lid, StPO) en dat hij de plicht heeft om zoveel mogelijk te achterhalen wat er daadwerkelijk is gebeurd (
Amtswegigkeit, § 2, tweede lid, StPO). [149] De principes van
Mündlichkeiten
Öffentlichkeit(§ 12 StPO en § 258 StPO) zijn ook hier van belang en het onmiddellijkheidsbeginsel (
Unmittelbarkeit, § 13 StPO) brengt mee dat het bewijs tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt vergaard. Net als in Duitsland, vindt vervolging plaats op grond van het legaliteitsbeginsel, maar bestaan er enkele uitzonderingen op deze vervolgingsplicht. [150]
Diversion(de transactie, § 198, eerste lid, StPO), het
Mandatsverfahren(een versnelde procedure waarin de rechter de straf bepaalt zonder voorafgaande terechtzitting, § 491 StPO) en de kroongetuigenregeling (§ 209a StPO). Ook bevat de wet zogenoemde
prozessleitende Absprachen: procesbegeleidingsafspraken. Deze afspraken hebben betrekking op het versnellen van de procedure. Zo bepaalt § 221, tweede lid, StPO dat de verdachte kan instemmen met het verkorten van de voorbereidingstermijn voor de terechtzitting.
obiter dictumprincipieel af. In deze zaak had de raadsman van de verdachte een afspraak gemaakt met de rechter over de op te leggen straf in ruil voor een bekentenis. De rechter legde niettemin een hogere straf op. Het Oberste Gerichtshof oordeelde in sterke bewoordingen [155] dat de gemaakte afspraak in strijd was met fundamentele beginselen van Oostenrijkse strafvordering, met name het beginsel van materiële waarheidsvinding. De betrokkenen konden volgens het Hof tuchtrechtelijk en strafrechtelijk worden aangesproken. [156] Het Oberste Gerichtshof wees in dit verband op § 57
Richter- und Staatsanwaltschaftsdienstgesetzen § 302
Strafgesetzbuch(hierna: StGB). In die laatste bepaling is ambtsmisbruik (
Missbrauch der Amtsgewalt) strafbaar gesteld. Ook overwoog het Hof dat de in deze zaak gemaakte afspraken in geen geval te vergelijken waren met de wél wettelijk regelde mogelijkheid van een
Diversion.
Verständigungen im Strafverfahren. [163]
nemo tenetur-beginsel en wijzen op het gevaar dat er teveel druk zal worden uitgeoefend op de verdachte om tot afspraken te komen en in dat verband een bekentenis af te leggen. Ook wordt het onwenselijk geacht dat de kloof tussen (lagere) straffen voor bekennende verdachten en (hogere) straffen voor niet-bekennende verdachten naar verwachting nog groter zal worden. Juist in economische zaken zal de wens om snel tot een afronding van de procedure te komen groot zijn, waardoor het risico ontstaat van ongelijke behandeling tussen rijkere en armere verdachten. De omstandigheid dat het afhankelijk is van de goede contacten tussen de procesdeelnemers of afspraken tot stand kunnen komen zou rechtsongelijkheid in de hand werken en
rechtsstaatlich unerträglichzijn. [164] Verder wordt gewezen op het risico dat de kwaliteit van de rechtspraak achteruitgaat en het beginsel van materiële waarheidsvinding geweld wordt aangedaan omdat in minder zaken gedegen inhoudelijk onderzoek wordt gedaan. [165] Ten slotte wijzen auteurs op het risico dat een groot deel van het strafproces niet meer plaatsvindt op de inhoudelijke zitting. Daarmee zou het belang van openbaarheid van het strafproces tekort worden gedaan.
Wildwuchs in der Praxisis onwenselijk en moet worden gestopt. In de tweede plaats wordt het strafproces efficiënter ingericht als procesafspraken (wettelijk) mogelijk worden gemaakt. En ten derde krijgt het strafproces al steeds meer consensuele trekken, zodat het maken van procesafspraken een logische – en onontkoombare – volgende stap is.
Strafzumessungsabsprachen). [166] Als er een wettelijke regeling zou komen, zal volgens hen moeten worden voorzien in adequate rechtsbescherming van de verdachte, door het creëren van rechtsmiddelen, het in de openbaarheid tot stand laten komen van de procesafspraken tijdens het onderzoek ter terechtzitting en het laten uitgaan van het initiatief voor het maken van procesafspraken van de zijde van de verdediging. Andere afspraken dan afspraken die de strafoplegging betreffen zouden verboden moeten blijven, omdat deze in strijd zijn met het beginsel van de materiële waarheidsvinding. Ook volgens andere auteurs zou een evenwicht moeten worden gevonden tussen de belangen van alle betrokkenen bij de procedure. Om het vermoeden van ontoelaatbare geheimhouding (
Kabinettsjustiz) weg te nemen, moeten de resultaten van de overeenkomst transparant zijn, door deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting openbaar te maken. De verdachte moet door de rechter worden geïnstrueerd over de gevolgen en de reikwijdte van de overeenkomst. En hij mag nooit worden verplicht tot het aangaan van de overeenkomst en mag niet worden benadeeld als hij weigert een overeenkomst te sluiten. [167]
plea bargainingen de Franse regeling van
comparution sur reconnaissance préalable de culpabilitéen neergelegd in art. 216 van Pro het Belgische Wetboek van Strafvordering. De procedure kan worden toegepast bij strafbare feiten waarvoor het Openbaar Ministerie geen hogere straf zou vorderen dan een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Uitgezonderd van toepassing ervan zijn enkele in § 2 genoemde strafbare feiten (feiten waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren kan worden opgelegd en (onder meer) doodslag, verkrachting, kinderprostitutie). De regeling kan worden toegepast tijdens het opsporingsonderzoek, maar ook als de zaak al aanhangig is bij de rechter, zolang er nog geen eindvonnis of -arrest is gewezen. [174]
nemo tenetur-beginsel genoemd: hoe kan worden voorkomen dat de verdachte zich onder druk gezet voelt – door de rechter, de officier van justitie of zelfs zijn advocaat – om een afspraak te maken en daartoe een bekentenis af te leggen? In dat verband wordt vooral benadrukt dat de in het kader van procesafspraken voorgestelde straf niet substantieel lager mag liggen dan de straf die zou zijn gevorderd/opgelegd in een reguliere strafprocedure. Aspecten/beginselen die verder aan de orde komen (in de verschillende landen) zijn de onschuldpresumptie, het risico op ongelijke kansen en het gebrek aan transparantie en openbaarheid.
8.Welke eisen stelt de rechtspraak van het EHRM aan procesafspraken?
Recommendationvan 17 september 1987 noemde het Comité van Ministers daartoe onder meer summary procedures,
out-of-court settlements,
simplified proceduresen
the simplification of ordinary judicial procedures. [201] In het kader van deze laatste categorie werd onder meer het volgende overwogen:
Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgiëheeft het EHRM zich uitgesproken over de verenigbaarheid met art. 6, eerste lid, EVRM en art. 2 van Pro het Zevende protocol bij het EVRM van de in die zaak gemaakte procesafspraken. De rechtspraak van het EHRM is uiteraard sterk casuïstisch van aard, maar dat neemt niet weg dat aan deze uitspraak gezichtspunten kunnen worden ontleend die relevant zijn bij het schetsen van een kader waarbinnen procesafspraken toelaatbaar kunnen worden geacht. Deze rechtspraak wordt hieronder besproken.
plea bargain) te komen. Dat mondde uit in een overeenkomst tussen de klagers en het Openbaar Ministerie, die ertoe strekte dat aan Natsvlishvili alleen een geldboete zou worden opgelegd.
plea bargainmoet voldoen: deze moet worden geaccepteerd door de verdachte “in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner” en de inhoud van de overeenkomst en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, moeten worden onderworpen aan
sufficient judicial review(§ 92). Het EHRM oordeelt dat in deze zaak geen sprake is van een schending van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 2 van Pro de Zevende protocol bij het EVRM. Daarbij betrekt het Hof de volgende omstandigheden [204] :
undue pressure. De klager had aangegeven dat hij de inhoud van het akkoord volledig begreep, dat hem zijn procedurele rechten en de juridische gevolgen van het akkoord waren uitgelegd en dat zijn beslissing om het voorstel te accepteren niet het resultaat was van
any duress or false promises.
in a clear and incontrovertible manner.
fairnessvan de inhoud ervan. Ook was de rechter bevoegd de overeengekomen straf in relatie tot de ten laste gelegde feiten te beoordelen en deze te verlagen. Bovendien had de rechter onderzocht of er
prima facie evidencebestond voor de ten laste gelegde feiten en had hij de inhoud van de overeenkomst onderzocht gedurende een openbaar onderzoek ter terechtzitting.
plea bargain. Door akkoord te gaan met het voorstel van het Openbaar Ministerie, de klager “as well as relinquishing his right to an ordinary trial, waived his right to ordinary appellate review”. [205]
Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgiëroept het EHRM in herinnering dat de verdachte afstand mag doen van zijn in art. 6 EVRM Pro verankerde rechten. Vereist is dat een dergelijke
waiver, “if it is to be effective for Convention purposes, be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate with its importance. In addition, it must not run counter to any important public interest”. [206] In enkele (hierna te bespreken) uitspraken heeft het EHRM daarnaast overwogen dat een
waiverniet door dwang/druk (
constraint) tot stand mag komen. [207]
Deweer tegen België. De klager had afstand gedaan van zijn rechten als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten behoeve van het treffen van een schikking met het Openbaar Ministerie. Het EHRM oordeelde dat de voorgestelde schikking – de betaling van een relatief klein geldbedrag – een te grote druk op de klager had gelegd om zijn recht op een rechterlijke instantie op te geven. [208] Er bestond immers een wanverhouding (
flagrant disproportion) tussen het aan de klager aangeboden voorstel en de consequenties van het niet akkoord gaan met dat voorstel, te weten de sluiting van de winkel van de klager tot de dag van de rechterlijke uitspraak, met een groot inkomensverlies als gevolg. [209] Het EHRM overwoog daarover dat de druk zo groot was, “that it is not surprising that Mr. Deweer yielded”. [210]
waiverin overeenstemming te doen zijn met de rechten zoals gewaarborgd in het EVRM, is daarnaast vereist dat de verdachte volledig is geïnformeerd over de inhoud van de zaak (
in full awareness of the facts) en de gevolgen van het doen van afstand van recht. Het mag bovendien niet zo zijn dat het doen van afstand ingaat tegen belangrijke maatschappelijke doelen (
import public interests). Interessant in dit verband is het arrest van het EHRM in de zaak
V.C.L. en A.N. tegen het Verenigd Koninkrijk. [211] Het ging in deze zaak om de verenigbaarheid met art. 6 EVRM Pro van een
plea bargainwaarmee de klagers hadden ingestemd. De klagers waren mogelijk ook minderjarige slachtoffers van mensensmokkel. Bij het EHRM klaagden zij er onder meer over dat ten onrechte geen rekening was gehouden met die omstandigheid en dat zij slecht waren geïnformeerd over hun rechten.
waiver. In dat verband herhaalde het EHRM de in
Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgiëgeformuleerde voorwaarden om te mogen spreken van een
waiverin de context van
plea bargains(§ 201): “(A) the bargain must be accepted in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner; and (b) the content of the bargain and the fairness of the manner in which it had been reached between the parties must be subject to sufficient judicial review”. Het Hof overwoog vervolgens dat de
guilty pleasvan de klagers
unequivocalwaren. De klagers waren zich bovendien hoogstwaarschijnlijk bewust van het feit dat geen inhoudelijke beoordeling van de feiten meer zou volgen na hun bekentenis. Daarbij nam het EHRM in aanmerking dat de klagers waren voorzien van rechtsbijstand. Maar omdat zij niet wisten of zij slachtoffers waren van mensensmokkel, was hun bekentenis niet afgelegd
in full awareness of the facts. Het EHRM overwoog bovendien dat gelet op de ernst van mensensmokkel en de inbreuk die hiermee wordt gemaakt op de rechten uit het EVRM, het gebrek aan onderzoek hiernaar maakt dat “any waiver of rights by the applicants would have run counter to the important public interest in combatting trafficking and protecting its victims” (§ 202). Het EHRM constateerde, na een
overall fairness-toets, dat art. 6, eerste lid, EVRM was geschonden.
Di Martino en Molinari tegen Italiëwaren de klagers in eerste aanleg vrijgesproken, maar werden zij in hoger beroep veroordeeld. In Straatsburg klaagden zij, met een beroep op art. 6, eerste lid, EVRM, dat het hof van beroep had miskend dat de klagers in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om bepaalde getuigen te horen. In deze zaak was een Italiaanse alternatieve strafprocedure gevolgd, de zogenoemde
giudizio abbreviato(verkorte procedure). [212] Deze procedure houdt in dat de rechter op verzoek van de verdachte de strafzaak afdoet op grond van het dossier van het opsporingsonderzoek (en dus niet op basis van een – in Italië nog sterk – onmiddellijk strafproces [213] ). Daar staat een strafkorting voor de verdachte tegenover. Het EHRM overwoog dat de klagers ermee hadden ingestemd om de hiervoor genoemde verkorte procedure te voeren en (dus) dat zij ermee hadden ingestemd dat zij hun verdediging moesten baseren op grond van de documenten die tijdens het vooronderzoek waren verzameld. Het EHRM zag geen reden eraan te twijfelen dat de klagers ondubbelzinnig afstand hadden gedaan van hun recht om getuigen te horen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Bovendien hadden de klagers geaccepteerd dat de rechters in hun zaak gebruik zouden maken van de eerder afgelegde verklaringen van de getuigen en wisten zij dat bij een eventueel hoger beroep het hof de bevoegdheid had om de zaak opnieuw te behandelen op basis van hetzelfde bewijsmateriaal. Art. 6, eerste lid, EVRM was volgens het EHRM niet geschonden. [214]
waiver. Dat belang kan zijn gelegen in de opsporing en vervolging van bepaalde (ernstige) strafbare feiten en het beschermen van slachtoffers van die feiten. Ik begrijp dat element in de rechtspraak zo, dat in dergelijke situaties de autoriteiten geen genoegen zouden mogen nemen met een
waiver, omdat zaaksoverstijgende, maatschappelijke belangen vragen om een regulier contradictoir proces.
nemo tenetur-beginsel. Dit beginsel (
the principle against self-incrimination) vormt onderdeel van het in art. 6 EVRM Pro neergelegde recht op een eerlijk proces. Het recht zichzelf niet te hoeven belasten bestaat volgens het EHRM vooral uit het zwijgrecht en het veronderstelt dat de vervolgende instantie het ten laste gelegde bewijst “without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused.” In dit verband benadrukt het EHRM ook de vrijheid van de verdachte zijn procespositie te bepalen. Om te beoordelen of het recht zichzelf niet te hoeven belasten is gerespecteerd, onderzoekt het Hof “the nature and degree of the compulsion, the existence of any relevant safeguards in the procedures and the use to which any material so obtained is put”. [215]
key case Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijkingegaan op drie categorieën van gevallen waarin sprake kan zijn van
improper compusionin strijd met art, 6 EVRM [216] : gevallen waarin een verdachte “is obliged to testify under threat of sanctions and either testifies in consequence or is sanctioned for refusing to testify”, [217] gevallen waarin “physical or psychological pressure, often in the form of treatment which breaches Article 3 of the Convention, is applied to obtain real evidence or statements” [218] en gevallen waarin “the authorities use subterfuge to elicit information that they were unable to obtain during questioning” [219] .
improper compulsionkan opleveren. Dat zou onder omstandigheden mogelijk een vorm van
psychological pressurekunnen vormen zoals bedoeld in de tweede categorie. Dat wordt klemmender naarmate het mogelijke voordeel voor de verdachte groter is. Het specifiek voor plea bargaining door het EHRM gehanteerde toetsingskader sluit daarbij aan. Onder bepaalde omstandigheden zal geen sprake meer zijn van totstandkoming van de afspraken op
a genuinely voluntary manner.
Mucha tegen Slowakijewerd de klager vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie. [220] Enkele mededaders waren voor dat feit al veroordeeld en hadden in het kader van gemaakte procesafspraken bekennende verklaringen afgelegd. Voor het EHRM deed de klager een beroep op art. 6 EVRM Pro. In het bijzonder klaagde hij erover dat hij niet door een onpartijdige rechter was berecht en dat de onschuldpresumptie was geschonden. Aan deze klachten werd ten grondslag gelegd dat dezelfde rechters de medeverdachten ook hadden veroordeeld en dat in de vonnissen van de medeverdachten werd gewezen op de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten. Het Hof herhaalt zijn eerdere rechtspraak waarin het heeft geoordeeld dat de onschuldpresumptie wordt geschonden indien in een rechterlijke beslissing of verklaring het standpunt besloten ligt dat een verdachte schuldig is voordat de verdachte daadwerkelijk in rechte schuldig is bevonden. Desalniettemin is het niet ongebruikelijk en aanvaard dat in complexe zaken waarin verschillende personen zijn betrokken die niet tegelijk kunnen worden vervolgd, kan worden verwezen naar de betrokkenheid van individuen, ook als hun zaak nog moet worden behandeld. Gezien de aard en samenhang van de ten laste gelegde feiten in deze zaak, was het nodig om ook te verwijzen naar het handelen van anderen. De uitspraken in de zaken tegen de medeverdachten waarin de procesafspraken zijn goedgekeurd, bevatten echter een gedetailleerde beschrijving van de gepleegde strafbare feiten, waaronder ook specifiek de rol die de verdachte daarin heeft gespeeld. De verwijzingen naar de klager waren niet zodanig omschreven dat duidelijk was dat hij nog zou worden vervolgd en nog niet schuldig was bevonden. Het EHRM constateert vervolgens een schending van de onschuldpresumptie en overweegt dat de bij de klager gerezen twijfels over de onpartijdigheid van de rechters objectief gerechtvaardigd zijn.
Mucha tegen Slowakijenaar zijn uitspraak in de zaak
Navalnyy en Ofitserov tegen Rusland, waarin zich een enigszins vergelijkbare situatie voordeed. [221] Beide klagers waren als verdachten betrokken geweest in een strafzaak wegens fraude. De derde medeverdachte, X, maakte procesafspraken met de openbaar aanklager, die onder meer inhielden dat X informatie gaf over de rol van de klagers bij het plegen van de strafbare feiten. In ruil daarvoor zou X een lagere straf krijgen. De klagers werden vervolgens veroordeeld op grond van onder meer de verklaringen van X. Zij wendden zich tot het Straatsburgse Hof met verschillende klachten gerelateerd aan art. 6 EVRM Pro. Het EHRM overwoog dat de procedure tegen X een versnelde procedure was geweest, waarin de feiten niet waren bewezen, maar
legally assumed. Deze feiten mochten niet zonder meer worden gebruikt in de zaken tegen de klagers, zonder in die zaken op toelaatbaarheid en betrouwbaarheid te zijn getoetst (§ 105). Ook wees het EHRM erop dat de omstandigheid dat X was veroordeeld op grond van een versnelde procedure zijn positie als getuige in de zaken tegen de klagers bemoeilijkte. Als getuige was X immers gedwongen om bij zijn eerder afgelegde verklaringen te blijven, omdat anders het oordeel in zijn eigen zaak (inclusief gereduceerde straf) zou kunnen worden herzien (§ 109). [222] Het Hof constateerde een schending van
the right to a fair hearingals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
Mucha tegen Slowakijenaar een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. [223] In de verwijzingsbeslissing van de Bulgaarse rechter in die zaak werd aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of het verenigbaar was met art 4, eerste lid, van de
Richtlijn 2016/343betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, dat in een schikkingsovereenkomst met een van de medeverdachten de gegevens voorkwamen van de andere medeverdachten, die nog niet waren veroordeeld (en ook niet hadden ingestemd met een schikkingsovereenkomst in hun eigen zaak [224] ).
9.Balans
Inleiding
plea bargaining. Volgens de toenmalige minister van Justitie zouden het Nederlandse inquisitoire stelsel en de daarbij behorende procestraditie te zeer in de weg staan aan een succesvolle introductie van een dergelijke rechtsfiguur in het Nederlands strafprocesrecht. Een dergelijk voorstel zou niet passen in de heersende procestraditie, waarin de rechter een actieve rol heeft bij de waarheidsvinding op de terechtzitting en exclusief verantwoordelijk is voor de bewijsbeslissing. Gelet op de eerdere keuzes om geen wetgeving tot stand te brengen betreffende een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachte en
plea bargaining, meen ik dat uiterste terughoudendheid is geboden bij het toekennen van betekenis aan een bekentenis in het kader van procesafspraken. Ik kom daarop nog terug.
dominus litis, het opportuniteitsbeginsel en de procesautonomie van de verdediging bieden de fundamenten voor het maken van procesafspraken. De officier van justitie bepaalt welke feiten in welke omvang aan de rechter worden voorgelegd. Er is geen rechtsregel die uitsluit dat bij deze beslissing de verdediging wordt betrokken. Hetzelfde geldt voor de voorgenomen eis. Op haar beurt kan de verdediging afzien van onderzoekswensen en het voeren van bepaalde verweren. In dit samenstel ligt de mogelijkheid van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging besloten.
multi-problematiekbij de verdachte een gezamenlijk afdoeningsvoorstel aan de rechter voor te leggen.
sufficient judicial reviewbeklemtoond. De rechter moet beoordelen of de verdachte “in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner” tot procesafspraken is gekomen. Er mag geen sprake zijn geweest van
undue pressure. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de rechtspraak van het EHRM in dit verband is toegesneden op het geval waarin sprake is van
plea bargainingen het afleggen van een bekentenis onderdeel is van de procesafspraken. Maar ook buiten die situatie dient te worden beoordeeld of de afstand van verdedigingsrechten voldoet aan de voorwaarden die het EHRM aan een afstand van rechten stelt, met name dat de afspraken niet onder druk tot stand zijn gekomen en dat de verdachte adequaat is geïnformeerd over de onderliggende feiten en de rechtsgevolgen van zijn medewerking aan procesafspraken. De rechter dient zich ervan te vergewissen of de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie over het feitencomplex dat aan de afspraken ten grondslag ligt en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de desbetreffende procesafspraken. In het verlengde daarvan ligt dat de rechter in het vonnis of arrest van deze beoordeling blijk geeft.
plea bargaining, vormen zwaarwegende argumenten om bij het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling bekentenissen geen onderdeel van procesafspraken te laten uitmaken. In die benadering kan een procesafspraak niet inhouden dat een bekentenis wordt afgelegd. Uiteraard kan het Openbaar Ministerie bij de afweging of het heil ziet in het maken van procesafspraken wel de procespositie van de verdachte betrekken. Daartoe behoort de omstandigheid dat de verdachte het ten laste gelegde al dan niet heeft bekend. Maar dat is iets anders dan dat de bekentenis onderdeel van de afspraken zou worden. Wel denkbaar is dat de verdediging in het kader van procesafspraken verklaart dat wordt afgezien van het voeren van bepaalde bewijsverweren en/of dat de afspraken mede inhouden dat het ten laste gelegde naar het oordeel van de officier van justitie en de verdediging bewijsbaar is.
10.Conclusies ten aanzien van de bestreden uitspraak van de rechtbank
”op zitting is besproken “en desgevraagd hebben de officier van justitie en de verdediging bevestigd achter dit voorstel te staan”. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie heeft gerekwireerd overeenkomstig het afdoeningsvoorstel en dat de verdediging, bij de mogelijkheid tot pleidooi, geen verweer heeft gevoerd en heeft bevestigd zich te verenigen met het afdoeningsvoorstel. De rechtbank overweegt: “Daarmee is de rechtbank van oordeel dat zowel in het voortraject als ter zitting de belangen van de betrokkenen zijn geëerbiedigd en de juridische waarborgen, neergelegd in de strafvorderlijke regels, zijn nageleefd. In het voortraject zijn alle procespartijen betrokken geweest en heeft ook de verdediging zijn visie kenbaar kunnen maken.” Daarbij wijst de rechtbank ook op de rollen van de procesdeelnemers: “De advocaat behartigt de belangen van de verdachte. De taak van de rechtbank is het onafhankelijk en onpartijdig beslechten van geschillen en te bewerkstelligen dat enkel schuldigen bestraft worden en onschuldigen juist niet. Vanuit die rolverdeling mag ervan worden uitgegaan dat ook in het geval er in bijzondere omstandigheden tot afspraken gekomen wordt over een bepaalde wijze van afdoening van een strafzaak, de procesdeelnemers op grond van hun specifieke taak en belangenbehartiging komen tot een evenwichtig voorstel dat recht doet aan alle belangen waarbij de rechter vervolgens onafhankelijk en onpartijdig oordeelt over de zaak en het voorstel.” De rechtbank overweegt vervolgens dat op zitting elk van de partijen de gelegenheid is geboden naar voren te brengen wat nodig werd geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in dit geval ook voldaan aan het wettelijk vereiste van een eerlijke en controleerbare rechtsgang.
judicial reviewte beperkt opgevat. De rechter zal immers niet alleen de inhoud maar ook de wijze van de totstandkoming van de procesafspraken moeten toetsen. Van deze toetsing zal de rechter in het vonnis blijk moeten geven.