Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Inleiding
- in de zaak 03/703920-11 bewezenverklaring kan volgen van het medeplegen van het gewoonte maken van opzetheling (feit 1 primair) en deelneming aan een criminele organisatie (feit 2);
- in de zaak 03/700739-13 bewezenverklaring kan volgen van deelneming aan een criminele organisatie (feit 1), het medeplegen van twee diefstallen (feiten 2 en 3) en opzetheling (feit 4 subsidiair);
- in de zaak 03/866240-16 bewezenverklaring kan volgen van opzetheling (subsidiaire feit);
- de vordering benadeelde partij van [bedrijf] van 355,26 euro (in de zaak 03/866240-16) bewezen kan worden verklaard;
- een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar opgelegd kan worden.
- de rechtbank niet gebonden is aan het afdoeningsvoorstel; het blijft een ‘voorstel’ aan de rechtbank dat de rechtbank na beraad kan volgen of niet kan volgen;
- de rechtbank de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Wetboek van Sv) onverkort hanteert bij haar beoordeling;
- de rechtbank het onderzoek heropent indien niet wordt voldaan aan enig strafrechtelijk of strafvorderlijk belang en (waardoor) de belangen van enige betrokkene, de maatschappij of juridische waarborgen in het geding zijn;
- de rechtbank het onderzoek heropent indien zij van oordeel is dat er op basis van het dossier onvoldoende grond bestaat voor een vaststelling van schuld, de kwalificatie van de feiten evident niet aansluit bij de inhoud van het dossier en de gekozen kwalificatie leidt tot miskenning van strafvorderlijke en maatschappelijke belangen, dan wel wanneer zij de voorgestelde straf niet passend acht.
- indien procespartijen overeenstemming hebben over de beslispunten in een zaak;
- die beslissingen steun vinden in het recht, in het dossier en de concrete omstandigheden van de zaak; en
- de belangen van alle partijen, maar ook van slachtoffers en de maatschappij, gediend worden.
2.De beoordeling van het bewijs
3.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
1.primair: medeplegen van van het plegen van opzetheling een gewoonte maken
4.subsidiair. medeplegen van opzetheling
4.De strafbaarheid van de verdachte
5.De straf
- de aard en ernst van de feiten;
- de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan;
- de persoon van de verdachte;
- het feit dat de verdachte heeft ingestemd met het voldoen van een groot geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel;
- de straffen die doorgaans worden opgelegd voor soortgelijke feiten, waarbij rekening gehouden dient te worden met:
- de zeer forse schending van de redelijke termijn en de vermindering van de straf die die overschrijding met zich brengt, nu het feiten uit voornamelijk 2011 en 2012 (en één heling uit 2016) betreft;
- de omstandigheid dat de verdachte nadien nog is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden wegens soortgelijke feiten (artikel 63 van Pro het Wetboek van Sr).
6.De benadeelde partij
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart de feiten 1 primair en 2 in de zaak 03/703920-11, de feiten 1, 2, 3 en 4 subsidiair in de zaak 03/700739-13 en het subsidiair feit in de zaak 03/866240-16 bewezen zoals in bijlage II is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 3 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 primair en 2 in de zaak 03/703920-11, de feiten 1, 2, 3 en 4 subsidiair in de zaak 03/700739-13 en het subsidiair feit in de zaak 03/866240-16 tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar;
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 1 jaar zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf] van 355,26 euro, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 26 augustus 2016 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.