Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2022:1861

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 maart 2022
Publicatiedatum
10 maart 2022
Zaaknummer
300228 / KG ZA 21-468
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil verkoop gemeenschappelijke woning en belangenafweging

In deze zaak staat een executiegeschil centraal over de verkoop van een gemeenschappelijke woning waarvan de vader voor tweederde en de dochter voor een derde eigenaar is. De vader, die dementerend is en onder bewind staat, weigert te verhuizen naar een geschikte woonlocatie. De dochter heeft via een kort geding een vonnis verkregen dat de bewindvoerder van de vader verplicht tot medewerking aan verkoop van de woning.

De bewindvoerder vordert schorsing van de uitvoerbaarverklaring van het vonnis op grond van een vermeende juridische misslag en de noodtoestand waarin de vader zou verkeren. De rechtbank overweegt dat verkoop van een gemeenschappelijke zaak ook in kort geding kan worden bevolen en dat het vonnis geen verdelingshandeling inhoudt die alleen in een bodemprocedure kan worden uitgesproken.

De rechtbank toetst het vonnis aan het door de Hoge Raad gegeven toetsingskader en concludeert dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden waarbij rekening is gehouden met de belangen van beide partijen. Hoewel vader emotioneel niet wil verhuizen, is passende vervangende huisvesting beschikbaar. De vordering tot schorsing wordt daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van het vonnis wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer: C/03/300228 / KG ZA 21-468
Vonnis bij vervroeging in kort geding van 10 maart 2022
in de zaak van
VMWM B.V.tevens handelende onder de naam [handelsnaam] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van
[naam onderbewindgestelde],
gevestigd te Roermond,
eiseres,
advocaat mr. L.M. van den Dungen,
tegen:
[gedaagde],
wonend te [woonplaats 1] ,
gedaagde,
advocaat mr. V.C.C. Luijten.
Eiseres wordt hierna VMWM genoemd, [naam onderbewindgestelde] over wiens vermogen VMWM het bewind voert “vader” en gedaagde “dochter”.

1.De procedure

1.1
Het dossier op grond waarvan dit vonnis is gewezen bestaat uit:
- de dagvaarding met vier producties;
- de conclusie van antwoord en de verbeterde versie daarvan;
- het proces-verbaal van de zitting van 13 januari 2022;
- het door de dochter overgelegde e-mailverkeer van 10 februari 2022, 23 februari 2022 en 24 februari 2022 tussen Herbergier Heythuysen en de dochter;
- hetgeen tijdens de zitting van 3 maart 2022 is besproken.
1.2
Vervolgens is vonnis gevraagd en is beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten waarvan in dit kort geding wordt uitgegaan

2.1
De 85-jaar oude [naam onderbewindgestelde] is de vader van gedaagde [gedaagde] . Zij hebben enige tijd dezelfde woning bewoond en wel de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (hierna de woning). Vader is voor 2/3de deel eigenaar van de woning, dochter voor 1/3de deel. Dochter woont thans elders.
2.2
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van 17 december 2021 heeft de voorzieningenrechter op vordering van de dochter en op tegenspraak, VMWM in haar hoedanigheid van bewindvoerder over vader veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van de woning via een door de dochter aan te wijzen notaris, waarbij onder verkoop mede moet worden begrepen het aanstellen van een makelaar door de dochter, het meewerken van VMWM aan bezichtigingen van de woning door potentiële kopers en het tekenen van de koopovereenkomst, waarbij de vraagprijs zal worden bepaald door de dochter met inachtneming van het advies van de makelaar hieromtrent en de laatprijs maximaal 5% lager zal zijn dan de door de makelaar geadviseerde vraagprijs en waarbij een leveringstermijn voor de woning zal worden gehanteerd van vier maanden na het sluiten van de koopovereenkomst of zoveel eerder als de vader de woning zal hebben verlaten. De mondelinge behandeling die heeft geleid tot dit vonnis van 17 december 2021 is gehouden in augustus 2021, waarna het wijzen van vonnis is aangehouden omdat partijen eerst (verder) wilden onderhandelen.
2.3
Vader is dementerend en heeft enige mate van zorg en/of toezicht nodig. Er is een andere geschikte woonlocatie voor hem gevonden en wel in de Herbergier te Heythuysen. Vader wil daar niet wonen.

3.Het geschil

3.1.1
VMWM vordert dat de voorzieningenrechter (zoals “de rechtbank” wordt gelezen) bij vonnis:
Primair
1. De schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis beveelt wegens het feit dat het bestreden vonnis berust op een juridische misslag;
Subsidiair
II. De schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis
beveelt wegens het feit dat de onverwijlde tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis resulteert in een noodtoestand zijdens vader;
Primair en subsidiair
III. Gedaagde veroordeelt tot betaling van een dwangsom à € 500,- per dag of dagdeel dat gedaagde ondanks een veroordeling als bedoeld onder 1 dan wel II de ten uitvoerlegging van het bestreden vonnis, waaronder begrepen de handelingen genoemd in het bestreden vonnis, doorzet.
IV. Gedaagde veroordeelt tot de proceskosten van dit geding, waaronder begrepen het
salaris van de advocaat van eiser.
3.1.2
VMWM legt hieraan ten grondslag dat het vonnis van 17 december 2021 op een misslag berust omdat daarbij in kort geding een verdelingshandeling in de zin van art. 3:185 BW Pro is bevolen. Die veroordeling betekent juridisch gezien dat vader een deel van zijn eigendom verliest. Dat kan slechts in een bodemprocedure. Een verdelingshandeling zoals in het kort gedingvonnis is toewezen, is geen ordemaatregel.
Subsidiair brengt de veroordeling vader in een noodtoestand. Hij is dementerend en heeft geen andere woonruimte die past bij zijn toestand. Ruimte in een zorginstelling is niet te vinden.
3.2
De dochter betwist de vordering.

4.De beoordeling

4.1
In het kort gedingvonnis van 17 december 2021 is geen scheiding en deling uitgesproken. VMWM is veroordeeld om mee te werken aan de verkoop (en levering) van de gemeenschappelijke woning. Een dergelijke vordering tot verkoop van een gemeenschappelijke zaak kan ook in kort geding worden gedaan (zie HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4380 en impliciet hof ’s-Hertogenbosch 7 september 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2803). Voor zover de vordering berust op de stelling dat het vonnis van 17 december 2021 een misslag bevat, kan de vordering dus niet worden toegewezen.
4.2
Met inachtneming van het door de Hoge Raad gegeven toetsingskader voor een vordering als de onderhavige (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het lichaam van het vonnis van 17 december 2021 inhoudt een afweging van alle belangen van partijen waarbij tenminste impliciet voldoende duidelijk is meegenomen waarom dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Aan deze belangenafweging kan nu worden toegevoegd dat er voor vader passende vervangende huisvesting is gevonden, maar dat vader om emotionele redenen niet wenst te verhuizen. Van een noodtoestand aan de zijde van vader is daarmee geen sprake (meer). Die woonwens van vader is, gelet op de financiële belangen van de dochter en de lange termijn die al is verstreken sinds de mondelinge behandeling in augustus 2021 tot heden, niet langer voldoende zwaar van gewicht om te kunnen leiden tot schorsing van de executie van het kort gedingvonnis. Al met al wordt het gevorderde afgewezen.
4.3
De proceskosten tussen partijen, feitelijk bezien vader en dochter, worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1
wijst het gevorderde af;
5.2
compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2022.