Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 747,00(tarief kort geding kanton gemiddeld)
Rechtbank Limburg
Eiser huurt sinds november 2018 een woning van gedaagden en is geconfronteerd met een opzegging van de huurovereenkomst. Na diverse procedures oordeelde de rechtbank dat gedaagden dringend eigen gebruik van de woning hadden en veroordeelde eiser tot ontruiming uiterlijk 1 mei 2022, met uitvoerbaarheid bij voorraad. Eiser is voornemens hoger beroep in te stellen.
Eiser vordert in kort geding schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het ontruimingsvonnis. Hij stelt dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad had mogen worden verklaard, omdat de wettelijke huurdersbescherming volgens artikel 7:272 lid 1 BW Pro vereist dat een opzegging onherroepelijk is voordat ontruiming kan plaatsvinden. Eiser benadrukt zijn belang bij behoud van woonruimte vanwege zijn co-ouderschap en stabiele leefomgeving.
De kantonrechter oordeelt dat het toetsingskader van het arrest Ritzen/Hoekstra is verlaten en dat het belang van eiser bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan dat van gedaagden bij onmiddellijke ontruiming. Er is sprake van een kennelijke misslag omdat het vonnis onterecht uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Daarom wordt de schorsing toegewezen en de tenuitvoerlegging van het vonnis opgeschort totdat het gerechtshof in hoger beroep heeft beslist.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt geschorst totdat het hoger beroep is afgerond.