Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 juni 2022 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
1 januari 2017.
Rechtbank Limburg
Eiser ontving WIA- en TW-uitkeringen terwijl hij daarnaast als zelfstandige werkte. Verweerder stelde achteraf vast dat eiser niet aan de inkomenseis voldeed en vorderde teveel betaalde voorschotten terug. Eiser voerde aan dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de gevolgen van zijn zelfstandige werkzaamheden voor zijn uitkeringen en dat de berekeningen onjuist waren.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had toegelicht dat de fiscale winst bepalend was voor de inkomenseis en dat het wijzigingsformulier onvolledig was. Hierdoor verkeerde eiser te goeder trouw in de veronderstelling dat hij recht had op een hogere uitkering. Verweerder had dit moeten onderkennen en beter moeten informeren.
Hoewel eiser mogelijk had kunnen vermoeden dat de inkomsten anders moesten worden opgevat, woog de rechtbank dit niet zwaar genoeg om de volledige terugvordering aan hem toe te rekenen. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet volledig kon terugvorderen, maar dat een substantiële matiging passend is omdat eiser geruime tijd meer heeft genoten dan waar hij recht op had.
De beroepen werden gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat verweerder de terugvordering substantieel moet matigen en nieuwe besluiten moet nemen.