Uitspraak
18.6181 WIA
OVERWEGINGEN
.Ter zitting is toegelicht dat de loongerelateerde uitkering feitelijk is doorbetaald tot 28 september 2016
.
,in totaal € 3.398,88.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, arbeidsongeschikt door whiplashklachten na een auto-ongeval, ontving aanvankelijk geen WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Na een revalidatietraject en een aanvraag in 2016 werd zij door het UWV voor 79,54% arbeidsongeschikt verklaard met een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 26 september 2014.
Het UWV had echter te veel voorschotten betaald en vorderde deze terug. Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde dat het UWV te laat was met de besluitvorming en dat er sprake was van dringende redenen om niet terug te vorderen. De rechtbank wees het bezwaar af, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had gehandeld door niet tijdig de juiste toepassing van artikel 55 van Pro de Wet WIA te beoordelen en dat de late besluitvorming de terugvordering onaanvaardbaar maakte. Bovendien was appellante ernstig benadeeld doordat zij geen aanleiding had om het voorschot aan te vechten. De Raad vernietigde daarom het besluit tot terugvordering en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De terugvordering van te veel betaalde WIA-voorschotten door het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en late besluitvorming.