ECLI:NL:RBLIM:2022:4782

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
C/03/305769 HARK 22-156
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 40 RvArt. 41 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verschoning rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Een rechter van de rechtbank Limburg heeft op grond van artikel 40 Rv Pro een verzoek tot verschoning ingediend in een civiele zaak, omdat hij meende dat verdere behandeling door hem schadelijk zou zijn voor de rechterlijke onpartijdigheid. Dit verzoek was ingegeven door een processtuk van een partij waarin twijfel werd geuit over de onpartijdigheid van de rechter.

De verschoningskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het subjectieve aspect (persoonlijke instelling van de rechter) en het objectieve aspect (objectief gerechtvaardigde vrees voor gebrek aan onpartijdigheid). De rechter gaf zelf aan niet vooringenomen te zijn en uit zijn handelen kon ook geen vooringenomenheid worden afgeleid.

De partij die het processtuk had ingediend erkende ondanks haar argumenten de onpartijdigheid van de rechtbank en stelde dat de getuigenverklaring zonder vooringenomenheid zou worden meegewogen. De kamer concludeerde dat geen feiten of omstandigheden waren die een schijn van partijdigheid konden rechtvaardigen.

Daarom wees de verschoningskamer het verzoek tot verschoning af en beval onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de rechter en partijen.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Verschoningskamer
Zaaknummer: C/03/305769 / HA RK 22-156
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van verschoningsverzoeken
op het verzoek van
mr. R. Kluin,
rechter in de rechtbank Limburg,
verder de rechter,
strekkend tot zijn verschoning in de zaak met zaaknummer C/03/264009/HA ZA 19-230 (Lauka Holding B.V. tegen [gedaagde in bodemprocedure] ).

1.De procedure

Met een bericht van 2 juni 2022 aan de leden van de verschoningskamer heeft de rechter op grond van artikel 40 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) een verzoek gedaan strekkend tot zijn verschoning in bovengenoemde zaak die hij (mede) behandelt.
Uit artikel 41 Rv Pro en het Protocol formele verschoning van de rechtbank Limburg volgt dat de behandeling van dit verzoek niet in het openbaar behoeft te geschieden en dat de rechter die om verschoning heeft gevraagd en de partijen in de zaak niet behoeven te worden gehoord.

2.Het verzoek

De rechter heeft een verzoek tot verschoning ingediend omdat hij vindt dat verdere behandeling van deze zaak door hem, al dan niet in een meervoudige setting, schadelijk zal zijn voor de rechterlijke onpartijdigheid als bedoeld in artikel 36 Rv Pro. De reden hiervoor is gebaseerd op een processtuk van Lauka waarin deze motiveert waarom het vonnis in de onderliggende zaak meervoudig zou moeten worden gewezen. De rechter leest aldus dat er twijfel bestaat over de onpartijdigheid van de rechter, dat deze twijfel niet groot genoeg is voor een wrakingsverzoek, maar wel groot genoeg om de wens uit te spreken de rechter te plaatsen in de setting van een meervoudige kamer. De rechter vindt dat, door het in een processtuk uitspreken van de vrees voor vooringenomenheid, er geen scenario meer is te bedenken waarin die vrees voor vooringenomenheid op een acceptabele wijze door de rechter zou kunnen worden weggenomen.

3.De beoordeling

3.1.
De beoordeling van een verschoningsverzoek vindt plaats aan de hand van twee criteria: het subjectieve en het objectieve aspect. Het subjectieve aspect heeft betrekking op de persoonlijke instelling van de rechter. Bij het objectieve aspect gaat het erom of sprake is van omstandigheden die de objectief gerechtvaardigde vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid van de rechter kunnen wekken.
3.2.
Voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn (de subjectieve onpartijdigheid/de persoonlijke instelling van de rechter), tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert.
3.3.
Van de schijn van vooringenomenheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven voor de objectief gerechtvaardigde vrees dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt (de objectieve onpartijdigheid). Alsdan dient de rechter zich van de behandeling van een zaak te onthouden.
3.4.
De vraag is of de rechter terecht tot het standpunt is gekomen dat ten aanzien van hem in bovengenoemde zaak de schijn van partijdigheid zou kunnen bestaan.
3.5.
De verschoningskamer overweegt dat de rechter zelf te kennen heeft gegeven dat hij niet vooringenomen is en dat uit zijn handelen redelijkerwijs ook geen vooringenomenheid kan worden geconcludeerd. Op grond van de door de rechter verstrekte informatie deelt de verschoningskamer deze conclusie van de rechter. Daarnaast heeft Lauka in het hiervoor genoemde processtuk te kennen gegeven dat zij – ondanks de door haar aangedragen argumenten – uitgaat van de onpartijdigheid van de rechtbank en dat zij er van uitgaat dat de betreffende getuigenverklaring zonder vooringenomenheid wordt meegewogen. Het vertrouwen in de onpartijdigheid wordt door haar niet geclausuleerd in die zin dat daarvan alleen sprake zou zijn als de aanstaande beslissing meervoudig zou worden genomen.
3.6.
De verschoningskamer is op grond van de stukken, waaronder laatstgenoemd standpunt van Lauka, van oordeel dat in dit geval geen sprake is van zodanige omstandigheden dat daaruit de schijn van partijdigheid zou kunnen worden afgeleid. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die anderszins een aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, laat staan een zwaarwegende aanwijzing.
3.7.
Het verschoningsverzoek zal daarom worden afgewezen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
- wijst het verzoek tot verschoning af;
- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de rechter en de partijen.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. R.M.M. Kleijkers, leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier, op 17 juni 2022.