Eiseres, die sinds november 2016 een WW- en later een WIA-uitkering ontving vanwege psychische klachten, werd door het UWV herbeoordeeld. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat zij op de datum in geding voor 32,42% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering per 24 juni 2021 werd beëindigd.
Eiseres betwistte deze beoordeling en voerde aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is vanwege ernstige psychiatrische problematiek, concentratieproblemen, hand- en vingerklachten, tinnitus en vermoeidheid, en dat coronamaatregelen haar mogelijkheden tot werken beperkten. De rechtbank oordeelde dat de medische en arbeidsdeskundige rapporten zorgvuldig, consistent en begrijpelijk waren en dat eiseres onvoldoende medische onderbouwing leverde om deze te weerleggen.
De rechtbank volgde het UWV ook in de uitleg dat de datum in geding 24 juni 2021 is, omdat de uitlooptermijn van twee maanden na de voorgenomen beslissing al was gestart. Verder werd geoordeeld dat latere wijzigingen in de gezondheidstoestand, zoals de start van schematherapie, niet relevant zijn voor de beoordeling op de datum in geding.
De arbeidsdeskundige had drie functies geduid die eiseres theoretisch zou kunnen uitvoeren, en de coronamaatregelen konden bij de theoretische schatting van de arbeidsongeschiktheid niet worden betrokken. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en haar WIA-uitkering terecht beëindigd.