Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een vordering van eiser tot betaling van €7.500, vermeerderd met rente en kosten, voortvloeiend uit een cessie-overeenkomst uit 2008 waarbij gedaagde zijn recht op uitkering uit een verzekeringspolis aan eiser heeft gecedeerd. Gedaagde was op het moment van sluiten van de overeenkomst failliet en is toegelaten tot de WSNP, die in 2013 eindigde met de schone lei.
Eerder heeft de kantonrechter bij vonnis van 15 september 2021 deze vordering afgewezen. Eiser stelde dat er nieuwe feiten zijn die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen, met name dat aan gedaagde ten onrechte de schone lei is verleend, waardoor artikel 358 lid 1 Fw Pro niet van toepassing zou zijn.
De kantonrechter oordeelt dat op grond van artikel 236 lid 1 Rv Pro het eerdere vonnis gezag van gewijsde heeft en bindende kracht heeft in deze procedure. Omdat eiser niet de bevoegde rechter heeft benaderd om artikel 358 lid 1 Fw Pro buiten toepassing te verklaren en de schone lei nog steeds van kracht is, zijn er geen nieuwe feiten die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.
Daarom wordt de vordering van eiser afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten, die vanwege het ontbreken van onderbouwing en het feit dat gedaagde zonder advocaat procedeert, worden vastgesteld op nihil.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen op grond van gezag van gewijsde van een eerdere uitspraak.