ECLI:NL:RBLIM:2022:6590
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete wegens voorschrijven niet-geregistreerde geneesmiddelen
Verzoeker, een arts die het Zelfzorgcovid-protocol volgt, kreeg een boete van €3000 opgelegd wegens het voorschrijven van niet-geregistreerde geneesmiddelen, in strijd met artikel 68 van Pro de Geneesmiddelenwet. Hij maakte bezwaar tegen deze boete, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde of aan de voorwaarden voor het treffen van een voorlopige voorziening was voldaan, met name het spoedeisend belang. Verzoeker stelde dat artsen door boetes en tuchtklachten worden belemmerd in hun prescriptievrijheid, wat de patiëntenzorg schaadt, vooral gezien het toenemende aantal Covid-besmettingen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de boete reeds was betaald en dat een oordeel over de rechtmatigheid van deze boete geen toekomstige boetes uitsluit. De angst voor represailles en mogelijke tuchtklachten achtte de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Ook was er geen sprake van een evident onrechtmatig besluit.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De behandeling van het beroepschrift moet worden afgewacht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.