6.3Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Wat heeft de verdachte gedaan?
Op meerdere gegevensdragers van de verdachte zijn grote aantallen bestanden aangetroffen die volgens het onderzoek door gespecialiseerd personeel van de politie afbeeldingen en video’s bevatten die kunnen worden gekwalificeerd als kinderporno. Van die afbeeldingen en video’s is een representatief deel specifiek in de tenlastelegging opgenomen en bewezen verklaard.
Een gewoonte maken van het bezit van kinderporno levert een ernstig strafbaar feit op, met name omdat bij de vervaardiging van kinderporno kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. De foto’s en video’s die bij verdachte zijn aangetroffen vertonen afschuwelijke beelden van jonge kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten dulden. Gezegd kan worden dat het hier een zeer ernstige categorie betreft. Door het bezit van kinderporno houdt de verdachte deze markt en de vraag naar kinderpornografisch materiaal in stand. Dit is bijzonder ernstig. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Voor een effectieve bestrijding van de vervaardiging van dit soort porno is het noodzakelijk niet alleen degenen aan te pakken die het vervaardigen, maar ook degenen die het verzamelen, zoals in onderhavige zaak de verdachte.
De LOVS-oriëntatiepunten
De rechtbank heeft zich voor de straftoemeting mede georiënteerd op de voor een soortgelijk strafbaar feit gebruikelijke straffen. Volgens de oriëntatiepunten voor straftoemeting, gepubliceerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), is voor een gewoonte maken van het bezit van kinderporno de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar het uitgangspunt voor de toemeting van de straf voor een first offender. De rechtbank merkt hierbij op dat in deze zaak het taakstrafverbod van toepassing is en aldus niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.
De deskundigenrapporten
De psychiaters R.J. Verkes en A.L. Verheijen hebben het risico op seksuele recidive matig tot hoog ingeschat. De onderzoekers schatten in dat het risico op een 'hands off' delict, zoals het bezit van kinderpornografisch materiaal, aanzienlijk hoger is dan het risico op een 'hands on' delict. De psychiaters adviseren een combinatie van een ambulante behandeling op een forensisch psychiatrische polikliniek en een intensievere woonbegeleiding, zoals beschermd wonen. Zij adviseren de genoemde interventies uit te voeren in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.
De psycholoog drs. R.A. Sterk heeft meerdere risicofactoren geconstateerd. Statistisch gezien wordt de kans op herhaling als matig tot hoog ingeschat. Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is vanuit forensisch oogpunt behandeling geïndiceerd. Een passende behandeling zou plaats kunnen vinden bij een forensisch psychiatrische polikliniek zoals Kairos of De Horst te Venlo. Opgemerkt dient dan ook te worden dat de psychische problematiek moeilijk bewerkbaar is en dat een succesvol verloop van de behandeling niet al te rooskleurig ingeschat dient te worden. Geadviseerd wordt om voornoemde behandeling bij een forensisch polikliniek als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel op te leggen, teneinde de verdachte optimaal te motiveren,.
De reclassering zou de verdachte kunnen begeleiden en zou tevens toe kunnen zien op het handhaven van de voorwaarden.
De reclassering
De reclassering heeft over de persoon van de verdachte meerdere rapportages uitgebracht, te weten op 7 mei 2020 en 16 september 2021. De reclassering heeft in het laatstgenoemde rapport beschreven dat zij ten opzichte van de situatie in mei 2020 weinig verandering bij de verdachte ziet. De verdachte toont weinig openheid naar rapportrice toe, hij blijft vaag en terughoudend in het delen van informatie en vermijdend ten aanzien van het delictgedrag. Daarbij komt dat de verdachte rondom het delictgedrag geen concrete hulpvraag heeft. Dit samen met de geschiedenis van het niet nakomen van de bijzondere voorwaarden en behandelafspraken in het verleden, maakt dat de reclassering de oplegging van reclasseringstoezicht met dezelfde voorwaarden als voorheen niet zinvol acht. De nadruk dient te worden gelegd op het uitoefenen van controle op de verdachte. Zoals geadviseerd door de psychiater zou intensievere woonbegeleiding zoals een beschermde woonvorm passend zijn voor de verdachte. Een dergelijke plek biedt toezicht en controle die nodig is vanwege het ingeschatte recidiverisico. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog, evenals het risico op het onttrekken aan voorwaarden. Indien de verdachte ter zitting aangeeft mee te zullen werken aan een plaatsing binnen een RIBW kan overwogen worden om bijzondere voorwaarden op te leggen bij een (deels) voorwaardelijke straf, te weten een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan een ambulante behandeling, het meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het vermijden van kinderporno.
Straf vermeerderende factoren
De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 7 september 2021. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (onder meer) een gewoonte maken van het bezit en het vervaardigen van kinderporno tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze eerdere veroordeling en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw dit strafbaar feit te plegen.
Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank voorts acht geslagen op het aantal afbeeldingen dat de verdachte in bezit had, de leeftijd van de kinderen op de afbeeldingen en de aard van de handelingen waartoe de kinderen zijn gedwongen.
Straf verminderende factoren
Het eerder vermelde rechtsgevolg van strafvermindering in verband met het geconstateerde onherstelbaar vormverzuim, zal de rechtbank verdisconteren in de duur van de op te leggen gevangenisstraf.
Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Hoewel de officier van justitie de ernst van het feit eveneens heeft onderkend, komen in de door hem geëiste straf naar het oordeel van de rechtbank de ernst en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan onvoldoende tot uitdrukking.
De rechtbank acht, alles overwegende, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren passend. Het voorwaardelijk deel van de straf dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Nu de verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven zijn medewerking te zullen verlenen aan het reclasseringstoezicht en het begeleid wonen zullen aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, te weten een meldplicht, het meewerken aan ambulante behandeling, het meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het vermijden van kinderporno. Over deze laatste bijzondere voorwaarde, en de controle daarop, overweegt de rechtbank het volgende.
De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd om te bepalen dat het toezicht op deze bijzondere voorwaarde onder andere kan bestaan uit controles van computers en andere apparatuur, en dat de verdachte meewerkt aan controle van digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek. De rechtbank is van oordeel dat de controle van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers in potentie een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker daarvan betekent. Onder meer het arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1215) geeft er blijk van dat de rechter zich daarvan rekenschap moet geven. Dat betekent in dit geval dat de rechtbank bij het opleggen van de gedragsvoorwaarde op de voet van artikel 14c, lid 2, onder 14, van het Wetboek van Strafrecht zoveel mogelijk moet voorkomen dat het toezicht wordt uitgeoefend op een wijze die op voorhand als strijdig met een grondrecht of andere belangrijke rechtsbeginselen is, zoals het beginsel dat niemand gehouden is tegen zichzelf bewijs te leveren of aan zijn eigen veroordeling mee te werken.
In dat kader acht de rechtbank het verbinden van een drietal beperkingen aan het uit te oefenen toezicht noodzakelijk. Dat betreft de maximale hoeveelheid en de frequentie van controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers, de wijze waarop kennis wordt genomen van aangetroffen gegevens en het niet door een opsporingsambtenaar mogen uitvoeren van deze controles. Dit laatste vloeit voort uit het oordeel van de Hoge Raad dat een gedragsvoorschrift niet geacht kan worden gedrag van de verdachte te omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen.
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is om de maximale hoeveelheid en de frequentie van controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers te beperken ter voorkoming van een te ingrijpende inbreuk op het privéleven van de verdachte, maar beoogt met de hierna weer te geven modaliteit te bereiken dat vrijheid wordt gegeven aan de reclassering en/of de betrokken zorgverlener, om te voorkomen dat de verdachte zijn gedrag kan aanpassen aan het aantal en de frequentie van deze controles.
Het voorgaande leidt tot het volgende. Het toezicht op de hierna onder d vermelde voorwaarde kan onder andere bestaan uit controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers. De verdachte dient daaraan mee te werken tijdens een huisbezoek. Deze controles mogen gedurende de proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaren, maximaal 6 keer worden uitgevoerd. Tot slot bepaalt de rechtbank dat ten behoeve van deze controle een deskundige (niet zijnde een opsporingsambtenaar) de reclassering en/of de betrokken zorgverlener (technische) ondersteuning mag bieden.