Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
feit 1).
de feiten 2 en 3). De rechtbank stelt voorop dat zowel voor het ‘voorhanden hebben’ van wapens en munitie in de zin van artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, als voor het ‘aanwezig hebben’ van drugs als bedoeld in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet, is vereist dat de verdachte
wetenschaphad van de aanwezigheid van deze goederen, én dat deze goederen zich binnen zijn/haar
machtssfeerbevonden. [25] De rechtbank overweegt daarover als volgt.
eigen misdrijf. De enkele omstandigheid dat dit niet kan worden uitgesloten is daartoe onvoldoende. Reeds daarom doet zich de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet voor, zodat het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 tot en met 4 tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
verklaart verbeurdhet volgende in beslag genomen geldbedrag:
gelast de teruggavevan de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende (voor zover daarop geen conservatoir beslag rust):