Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 11 oktober 2022;
- het onderzoeksverslag beschrijving camerabeelden d.d. 3 maart 2022
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[naam 2]vordert een schadevergoeding van € 75.176,32 ter zake van de dood van zijn zoon, bestaande uit:
[naam 3]vordert een schadevergoeding van € 45.679,00 ter zake van de dood van haar zoon, bestaande uit:
[naam 4]vordert een schadevergoeding van € 25.060,42 ter zake van de dood van zijn vriend, bestaande uit:
€ 27.142,49.
€ 229,10wel voor toewijzing vatbaar. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en komen de rechtbank niet onredelijk voor. Voor de subsidiaire vordering met betrekking tot het minimaal toekomstig inkomensverlies ad € 6.886,14 acht de rechtbank een nadere onderbouwing noodzakelijk om dezelfde reden als hiervoor onder de
Vergoeding van schokschade is op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer het arrest van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958) slechts mogelijk als aan strikte voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van geestelijk letsel, in de zin van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, dat is ontstaan door het waarnemen van de gebeurtenis waardoor het slachtoffer overlijdt of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad kan de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige tot het oordeel komen dat sprake is van geestelijk letsel en de vordering toewijzen, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
€ 35.405,42.
€ 20.679,00.
€ 20.679,00.
€ 60,42.
Voor wat betreft het juridisch kader verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de benadeelde partij [naam 2] .
€ 60,42.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
[naam 2]gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen
€ 35.405,42(bestaande uit € 15.405,42 aan materiële schade en
- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam 2] , van € 35.405,42, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 28 februari 2022 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling dient te worden toegepast;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam 3] , van € 20.679,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 28 februari 2022 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling dient te worden toegepast;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [naam 4] , van € 60,42, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 28 februari 2022 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling dient te worden toegepast;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.