Uitspraak
[eiseres]en
[eiser 2], allen wonende te [woonplaats] , eisers
:mr. N.M.N. Janssen).
[naam vergunninghouder], wonende te [woonplaats] , vergunninghouder.
.Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan [1] , omdat op grond van artikel 14.2.2, onder d, van de regels van dat bestemmingsplan de goothoogte dan wel bouwhoogte maximaal gelijk dient te zijn aan de goothoogte respectievelijk bouwhoogte van het hoofdgebouw op één van beide belendende percelen, daar waar die goothoogte dan wel bouwhoogte het grootst is. Door de opbouw wordt de woning van vergunninghouder op dat gedeelte hoger dan de grootste feitelijke hoogte op (een van) de belendende percelen. Het college acht deze overschrijding (afwijking van het bestemmingsplan) toelaatbaar, omdat de woning in een straat met een wisselend straatbeeld ligt, in combinatie met het feit dat de woning nog altijd een meer bescheiden uitstraling heeft dan de naastgelegen woning aan de linkerzijde.
Tot slot delen wij de mening van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit niet. De huidige woning kenmerkt zich als twee gesloten, horizontale volumes. Het ene volume met de slaapkamers ligt iets verhoogd op ene souterrain, het andere volume met de woonkamer en keuken ligt iets lager op het niveau van de omliggende tuin. Beide volumes zijn redelijk gesloten met voornamelijk horizontale openingen. Uitzondering hierop is de westgevel van de woonkamer, die is voorzien van een gevel brede en hoge glazen pui, die vrij uitzicht biedt op het buitengebied. De voorgestelde opbouw manifesteert zich als een opengewerkte kubus, voorzien van verticaal gelede openingen naar drie zijden. De opbouw heeft, behoudens aan de westzijde geen relatie met de onderbouw. En juist doordat de westzijde deze relatie duidelijk wel heeft, is er ook geen sprake van een heldere, afwijkende architectuur of vormgeving. De opbouw neemt hierdoor geen stelling in en doet daarmee geen recht aan de architectuur van de onderliggende woning. Bij een heroverweging van de vormgeving zou de privacy kwestie meegenomen kunnen worden.”
9.De rechtbank overweegt hierover als volgt.
12.De rechtbank overweegt hierover als volgt.
“De goothoogte respectievelijk bouwhoogte is maximaal gelijk aan de goothoogte respectievelijk bouwhoogte van het hoofdgebouw op één van beide belendende percelen, daar waar die goothoogte respectievelijk bouwhoogte het grootst is.”Hieruit volgt dat het bestemmingsplan de toegestane maximale hoogte op een perceel koppelt aan de actuele bestaande situatie – dus niet aan de situatie ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan (zoals bijvoorbeeld via het in de planregels gedefinieerde begrip “bestaande bebouwing” wel is gedaan) – op de naastgelegen percelen. Dat betekent dat als de bestaande situatie op een perceel verandert, de bouwrechten die het bestemmingsplan geeft voor de naastgelegen percelen, mee veranderen.
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het college op het betaalde griffierecht aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten van € 1.674,-.