Uitspraak
RECHTBANK Limburg
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIPPISCH CENTRUM DE LEISTERT B.V.,
2.
[gedaagde sub 2],
3 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 3] ,
4.
[gedaagde sub 4],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 29 september 2023, bij gelegenheid waarvan [eiser] en De Leistert en [gedaagde sub 2] een pleitnota in het geding hebben gebracht.
3.Het geschil
4.De beoordeling
“of de betrokken contractuele band deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf”(HvJEU 19 november 2015, C-74/15, ECLI:EU:C:2015:772 (Tarcău), punt 27, en HvJEU 14 september 2016, C-534/15, ECLI:EU:C:2016:700 ((Dumitraş), punt 32). Mede gelet op de verwijzing naar het arrest Costea in de beschikking in de zaak Tarcău, en de wijze waarop het HvJEU beoordeelt of de betrokkene de overeenkomst is aangegaan als consument, moet worden aangenomen dat niet is bedoeld een andere maatstaf aan te leggen dan in het arrest in de zaak Costea is geformuleerd.
“Grote Prijzen te gaan lopen”. Met het oog op de beoogde deelname aan de springsport is [paard 1] , zo is tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] verklaard, klinisch en röntgenologisch gekeurd. Na goedkeuring is [paard 1] gekocht voor een koopsom van € 133.100,00. Daarmee staat vast dat [eiser] [paard 1] heeft gekocht in het kader van en ten behoeve van [dochter van eiser] activiteiten in de springsport. Gelet hierop moet worden beoordeeld of die activiteiten van dien aard zijn dat ze een bedrijfs- of beroepsmatig karakter hebben. Niet gesteld of gebleken is dat [dochter van eiser] bedrijfsmatig actief is in de springsport. De vraag is dus of [dochter van eiser] activiteiten in de springsport een beroepsmatig karakter hebben.
“hoofdelijk aansprakelijk is op grond van wanprestatie.”Kennelijk is [eiser] van mening dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van De Leistert onbehoorlijk heeft gehandeld, een en ander zoals bedoeld in artikel 2:9 van Pro het Burgerlijk Wetboek. [eiser] heeft echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om dat rechtsgevolg te dragen. Voor zover de vordering is ingesteld jegens [gedaagde sub 2] is deze dus hoe dan ook niet toewijsbaar.
“milde veranderingen”gaat die niet ongewoon zijn bij een zeven jarig sportpaard, die gemakkelijk kunnen worden behandeld en dat die behandelingen gangbaar zijn bij de begeleiding van sportpaarden. [dierenarts 4] verklaart:
“The described findings in both reports I can also see in horses that are performing well on the highest level.”Zelfs als de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de zaken die [dierenarts 2] heeft waargenomen ook al bij levering aanwezig waren, geldt het volgende. Nog los van de vraag of [dierenarts 1] een en ander ook heeft waargenomen en wat dat in juridische zin betekent voor de rechtspositie van [eiser] , is gezien de verklaringen van [dierenarts 3] en [dierenarts 4] in dit kort geding onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter op basis hiervan zal oordelen dat [paard 1] bij levering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.
“Het is een merrie, het is geen dooie slaper.”en dat [eiser] , althans zijn echtgenote in reactie daarop zou hebben gezegd:
“Ik wil ook geen dooie, het is een merrie voor de topsport.”Gelet hierop is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter zal oordelen dat aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan.
“allerlei dubieuze verhalen de ronde doen.
”
“allerlei dubieuze verhalen die de ronde doen”kan deze conclusie al helemaal niet worden getrokken.