Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023
in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is”. Het voorgaande betekent dat de woning ingevolge de beheersverordening alleen gebruikt kan worden door, eenvoudig gezegd, de eigenaar en/of beheerder van het kampeerterrein. Die planologische beperking gaat veel verder dan de planologische beperking die op de als referentieobjecten gebruikte bedrijfswoningen rust. Dit zijn bedrijfswoningen bij bedrijven uit categorie 2 [10] (referentieobject 1), bij detailhandel (referentieobject 2, voor zover dit een bestaande bedrijfswoning betreft) of bij agrarische bedrijven (referentieobject 3). Dit is een veel ruimere kring van bedrijven dan ingevolge de aanduiding ‘kampeerterrein’ is toegestaan en de referentieobjecten kennen daarmee veel meer potentiële gegadigden dan een bedrijfswoning bij een kampeerterrein. Agrarische bedrijven, categorie 2-bedrijven en winkels zijn er immers in allerlei soorten en vormen en er zijn, eenvoudig gezegd, veel meer agrariërs, ondernemers in ‘laag-belastende’ bedrijven en winkeliers dan er campingbeheerders zijn. Kortom: de referentieobjecten zijn gelet op hun planologische bestemming ook slechts interessant voor een beperkte doelgroep, maar de doelgroep voor onderhavige woning, waarbij een camping moet worden geëxploiteerd, is nog (veel) beperkter.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, stelt de woz-waarde van de onroerende zaak [adres 1] in [woonplaats] per waardepeildatum 1 januari 2020 vast op € 252.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- wijst het verzoek om schadevergoeding ex artikel 6 EVRM Pro toe en veroordeelt verweerder tot het betalen van de schadevergoeding aan eiser voor het bedrag van € 500;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor het bedrag van € 2.266,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2023