Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 17 oktober 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een kort geding waarin woningstichting Heemwonen vordert dat [gedaagde] de sociale huurwoning ontruimt die hij sinds 1975 bewoont. De oorspronkelijke huurovereenkomst was gesloten met de overleden vader van [gedaagde]. Na het overlijden van de vader in januari 2023 heeft [gedaagde] geen verzoek ingediend om medehuurder te worden of de huurovereenkomst voort te zetten binnen de wettelijke termijn van zes maanden.
Heemwonen stelt dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft en wenst de woning terug om deze aan een nieuwe huurder te kunnen verhuren. [gedaagde] voert verweer met het argument dat hij als mantelzorger recht heeft op voortzetting van de huurovereenkomst en dat Heemwonen op de hoogte was van het overlijden via andere kanalen. Hij heeft niet tijdig gereageerd op brieven vanwege ziekte en onderhoudsproblemen.
De kantonrechter oordeelt dat de wettelijke termijn van zes maanden niet is gerespecteerd en dat de omstandigheden onvoldoende zijn om een uitzondering te maken. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vordering tot ontruiming, met een ontruimingstermijn tot uiterlijk 1 januari 2024. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming van de woning uiterlijk 1 januari 2024 en veroordeelt hem in de proceskosten.