Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat eiser met wat hij heeft aangevoerd onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2022 zijn hoofdverblijf had in de onroerende zaak in [plaats] . Gelet op het overgelegde tankoverzicht acht de rechtbank eisers verklaring dat hij doorgaans van vrijdag (in de ochtend) tot en met zondag (in de namiddag / avond) en in schoolvakanties met zijn gezin in [plaats] verblijft aannemelijk. Het overgrote deel van de tankbeurten heeft immers buiten die periode buiten Limburg plaatsgevonden (78 van de 101 tankbeurten). Die verklaring wijst er naar het oordeel van de rechtbank echter juist op dat eiser geen hoofdverblijf heeft in de woning, maar deze gebruikt als ‘recreatiewoning’. [2] Dat de kinderen in de weekenden in de omgeving van [plaats] sportverenigingen bezoeken, duidt er ook niet op dat de woning wordt gebruikt als hoofdverblijf.
Eiser heeft daarnaast onderbouwd dat zijn echtgenote vanwege de zorg voor haar ouders vaker dan alleen de weekenddagen in Limburg is. Echter, omdat haar aanwezigheid op die dagen enkel is ingegeven door de zorg van haar ouders en daarmee niet is aangetoond dat zij ook daadwerkelijk doordeweeks in de woning verblijft, ziet de rechtbank hierin geen onderbouwing voor het standpunt dat het hoofdverblijf zich daar bevindt. Dat geldt ook voor eisers verblijf in [plaats] vanwege werkzaamheden aan de woning en het aan de straat zetten van de vuilnis. Daarbij is een onderbouwing van de verklaring dat het sociale leven van eiser en zijn echtgenote zich afspeelt in [plaats] achterwege gebleven. Ook is bijvoorbeeld niet onderbouwd dat eiser en zijn echtgenote doorgaans hun inkopen in de omgeving van [plaats] doen, daar hun poststukken / pakketjes worden bezorgd en zij daar zijn ingeschreven bij een huisarts / tandarts. Uit de afschriften van de dierenarts volgt dat twee van de drie dierenartsbezoeken in 2022 op zaterdag hebben plaatsgevonden. Daarnaast is ook niet onderbouwd dat hun schriftelijke correspondentie dat jaar (grotendeels) vanuit [plaats] plaatsvond. De rechtbank hecht voor het bepalen van de locatie van het middelpunt van het gezin meer waarde aan het relatief lage waterverbruik dan aan het relatief lage energieverbruik. Het waterverbruik houdt directer verband met bewoning dan het energieverbruik (waarvan aannemelijk is dat daarvan ook sprake is als het gezin daar niet verblijft). Dat [plaats] het vestigingsadres van de holding is, waarvoor eiser werkzaam is, zegt niets over de plek waar eiser daadwerkelijk zijn werkzaamheden uitvoert. Zijn ‘doordeweekse verblijf’ in [woonplaats] duidt eerder op het feitelijk uitvoeren van werkzaamheden in die omgeving. Daar komt bij dat eiser en zijn gezin niet in de BRP in de gemeente Echt-Susteren staan ingeschreven, eiser in deze procedure een postadres in Schiphol als correspondentieadres gebruikt (ook voor zijn bankzaken) en zijn kinderen in de omgeving van [woonplaats] naar school gaan.