Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2] B.V.,
1.Inleiding
2.De procedure
- de conclusie van antwoord in incident met productie 1,
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
van(voormalig) bestuurders van [gedaagde] aan [gedaagde] , maar voor leningen van [gedaagde]
aan(voormalig) bestuurders van [gedaagde] .
Lening o/g [eiser sub 1] ”), op pagina 28 van de jaarrekening van 2015 een bedrag van € 34.296,- als rente op voornoemde lening van [eiser sub 1] aan [gedaagde] (“
Rente lening [eiser sub 1]”) en op pagina 13 voor leningen aan (voormalige) bestuurders een rentevoet van 2,49%. Bij brief van 21 mei 2021 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schriftelijk aan [gedaagde] bevestigd dat ditzelfde percentage heeft te gelden voor de geldlening in kwestie. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
opzettelijkheeft toegebracht. Zo heeft [gedaagde] niet gewezen op specifieke passages uit een van de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant dan wel een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waaruit die opzet zou kunnen worden afgeleid. [gedaagde] heeft dan ook niet aan haar stelplicht voldaan op dit punt. Het beroep op 6:135 sub b BW wordt daarom ook ten aanzien van [eiser sub 2] gepasseerd.