De rechtbank Limburg behandelde op 18 januari 2023 een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van ontuchtige handelingen met een buurmeisje van 7 à 8 jaar oud in de periode van maart 2021 tot maart 2022. De tenlastelegging omvatte onder meer het seksueel binnendringen en meermalen ontucht plegen met het slachtoffer.
De officier van justitie achtte het bewijs onvoldoende om tot een veroordeling te komen en verzocht om vrijspraak. De verdediging betoogde dat de verklaring van het minderjarige slachtoffer onbetrouwbaar was en onvoldoende ondersteund werd door objectief bewijs. De rechtbank overwoog dat zedenzaken bewijstechnisch lastig zijn, vooral omdat vaak alleen de verklaring van het slachtoffer en de ontkenning van de verdachte tegenover elkaar staan.
Hoewel de verklaring van het slachtoffer authentieke elementen bevatte, waren er ook onmogelijke beschrijvingen en ontbrak ondersteunend bewijs uit onafhankelijke bronnen. Emotionele veranderingen bij het slachtoffer konden niet eenduidig worden toegeschreven aan de ten laste gelegde feiten. Daarom was het bewijs niet wettig en overtuigend en sprak de rechtbank verdachte vrij.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte niet werd veroordeeld. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, die tot op heden nihil waren.