Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 11 maart 2024, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een woning die door eiseres wordt gehuurd van gedaagde. Bij een eerder vonnis was de huurovereenkomst voorwaardelijk ontbonden met een betalingsregeling voor achterstallige huur en kosten. Eiseres heeft deze regeling grotendeels nagekomen, maar betaalde een termijn van €150,- te laat vanwege persoonlijke omstandigheden.
Gedaagde vorderde de ontruiming op basis van het eerdere vonnis, maar eiseres verzocht om verbod op executie. De kantonrechter oordeelde dat het vonnis niet berust op een juridische of feitelijke misslag en dat het verlies van woonruimte geen noodtoestand oplevert. Wel is vastgesteld dat eiseres de betalingsregeling één keer niet tijdig heeft nagekomen, maar het bedrag was gering en later alsnog voldaan.
De kantonrechter concludeerde dat gedaagde geen redelijk belang heeft bij onmiddellijke executie, mede gezien het zwaarwegende belang van eiseres en haar minderjarige kinderen. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid door gedaagde. Daarom werd het verbod op ontruiming toegewezen en de proceskosten aan gedaagde opgelegd.
Uitkomst: De ontruiming van de woning wordt verboden vanwege misbruik van bevoegdheid en onevenredigheid tussen belangen.