Uitspraak
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
3.
[eiseres sub 3],
4.
[eiser sub 4],
Rechtbank Limburg
Eisers, eigenaren van verhuurde appartementen, hadden een geschil met huurders waarvoor zij juridische bijstand inschakelden bij gedaagde. De kern van het geschil betrof de financiële afwikkeling van de opdracht, met name de inhouding door gedaagde van een deel van een geïncasseerd bedrag als honorarium.
De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat Nederlands recht van toepassing is. De opdrachtbevestiging waarin een honorarium van eenderde van de geïncasseerde vordering was afgesproken, was geldig en niet in strijd met de Richtlijn 93/13/EEG over oneerlijke bedingen. Eisers konden onvoldoende aantonen dat de afspraak onduidelijk of oneerlijk was.
Verder werd geoordeeld dat gedaagde haar werkzaamheden naar behoren had verricht en dat het niet volledig verhalen van de vordering niet aan haar te wijten was. De vorderingen tot betaling van het vermeende onterecht ingehouden bedrag, schadevergoeding, advocaatkosten en buitengerechtelijke kosten werden afgewezen. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vorderingen van eisers worden afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.