ECLI:NL:RBLIM:2024:3273
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling WOZ-waarde na termijnoverschrijding
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder op € 1.404.000,- was vastgesteld voor het belastingjaar 2021. Na ongegrondverklaring van het bezwaar stelde eiser beroep in, maar zowel eiser als verweerder stelden dat het beroep te laat was ingediend. De rechtbank beoordeelde de tijdigheid van het beroep en stelde vast dat verweerder niet kon aantonen dat het bestreden besluit tijdig was verzonden, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.
Inhoudelijk voerde eiser aan dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld, mede omdat verweerder te lage grondprijzen hanteerde en de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar waren. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten binnen dezelfde wijk, wat de rechtbank voldoende aannemelijk achtte.
De rechtbank oordeelde dat de gebruikte vergelijkingsmethode passend was en dat de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak niet tot onvergelijkbaarheid leidden. Ook het betoog over de grondwaarde faalde. Daarmee was de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog en werd het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank wees proceskostenveroordeling af en wees partijen op de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het beroep is ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond verklaard.