De zaak betreft een werknemer die sinds 2019 bij PostNL werkzaam was en sinds juni 2021 wegens ziekte arbeidsongeschikt is. Na het verstrijken van 104 weken ziekte beëindigde PostNL de loondoorbetalingsverplichting en vroeg ontslag aan bij het UWV, dat dit in januari 2024 toestond. De werknemer verzocht de rechtbank om herstel van de arbeidsovereenkomst of subsidiair een billijke vergoeding van € 50.000.
De rechtbank beoordeelde of sprake was van een voldragen b-grond voor ontslag: de werknemer was arbeidsongeschikt voor zijn eigen functie, herstel binnen 26 weken was niet te verwachten en er was geen passend ander werk beschikbaar binnen PostNL. Deze voorwaarden waren volgens de rechtbank voldaan, mede op basis van arbeidsdeskundig onderzoek en medische verklaringen.
De werknemer stelde dat PostNL onvoldoende had gedaan aan re-integratie, wat volgens hem herstel mogelijk maakte en een grond voor billijke vergoeding vormde. De rechtbank oordeelde echter dat PostNL haar re-integratieverplichtingen adequaat had nagekomen, ondanks een periode waarin geen contact mogelijk was vanwege onbereikbaarheid van de werknemer.
Daarom wees de rechtbank zowel het primaire verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst als het subsidiaire verzoek tot billijke vergoeding af. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.