ECLI:NL:RBLIM:2024:7174
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn na wetswijziging basisbeurs
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Onderwijs van 11 oktober 2021, waarin werd bepaald dat hij vanaf 1 september 2022 geen recht meer had op een aanvullende beurs. Dit bezwaar werd pas op 18 september 2023 ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening zonder verschoonbare reden.
Eiser stelde dat hij destijds geen belang had om bezwaar te maken omdat er geen basisbeurs bestond, en dat de herinvoering van de basisbeurs in september 2023 hem pas deed beseffen dat het besluit gevolgen voor hem had. De rechtbank oordeelde echter dat het feit dat eiser toen geen bezwaar maakte omdat hij geen financieel voordeel zag, geen verschoonbare reden vormt voor de termijnoverschrijding.
De rechtbank benadrukte dat artikel 6:11 Awb Pro alleen ziet op situaties waarin het voor de belanghebbende redelijkerwijs onmogelijk was tijdig bezwaar te maken, wat hier niet het geval was. De latere wetswijziging en gewijzigde situatie kunnen een eerdere overschrijding niet alsnog verschoonbaar maken. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een verschoonbare termijnoverschrijding; het bezwaar is niet-ontvankelijk.