De rechtbank Limburg heeft op 18 december 2024 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die is veroordeeld voor meervoudige verduistering in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €150.573 en later aangepast naar €128.097.
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €116.694, waarbij rekening is gehouden met een bedrag van €4.054 dat in 2013 verduisterd is en waarvoor derden in rechte vorderingen hadden, die in mindering zijn gebracht. Een bedrag van €7.349 uit 2012 is niet meegenomen wegens onvoldoende bewijs en verjaring.
De verdediging voerde aan dat eerdere civiele veroordelingen tot schadevergoeding in mindering gebracht moesten worden, maar de rechtbank stelde vast dat verdachte geen enkele schadevergoeding heeft voldaan, waardoor deze niet in mindering kon worden gebracht. Ook het beroep op overschrijding van de redelijke termijn werd verworpen omdat dit reeds was verdisconteerd in de straf.
De rechtbank legt verdachte de verplichting op om €116.694 aan de Staat te betalen en bepaalt een gijzelingstermijn van 1080 dagen voor het geval van niet-betaling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Maastricht.