ECLI:NL:RBLIM:2025:11069
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de verplichting tot stopzetting van zorgovereenkomsten en de ontvankelijkheid van bezwaar tegen bestuursbesluit
In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, wordt het beroep van eiser tegen een brief van 6 juni 2024 beoordeeld. In deze brief heeft verweerder, VGZ Zorgkantoor B.V., eiser de verplichting opgelegd om de zorgovereenkomsten met zijn ouders per 1 januari 2025 stop te zetten. Indien eiser deze verplichting niet naleeft, zal verweerder het aan eiser toegekende persoonsgebonden budget (pgb) naar rato berekenen en enkel de dagbesteding bij de zorgverlener Ambachtelijk Hout goedkeuren. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft hiertegen beroep aangetekend.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 6 juni 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat de brief feitelijke mededelingen bevat die niet gericht zijn op een rechtsgevolg. Pas als eiser de zorgovereenkomsten met zijn ouders niet stopzet, zal dit in de toekomst gevolgen hebben voor zijn pgb. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn ouders aanwezig waren, evenals de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, omdat verweerder eiser ten onrechte ontvankelijk in zijn bezwaar heeft geacht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2024 en verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de brief van 6 juni 2024. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.