ECLI:NL:RBLIM:2025:11069

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
ROE 24/4493
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verplichting tot stopzetting van zorgovereenkomsten en de ontvankelijkheid van bezwaar tegen bestuursbesluit

In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, wordt het beroep van eiser tegen een brief van 6 juni 2024 beoordeeld. In deze brief heeft verweerder, VGZ Zorgkantoor B.V., eiser de verplichting opgelegd om de zorgovereenkomsten met zijn ouders per 1 januari 2025 stop te zetten. Indien eiser deze verplichting niet naleeft, zal verweerder het aan eiser toegekende persoonsgebonden budget (pgb) naar rato berekenen en enkel de dagbesteding bij de zorgverlener Ambachtelijk Hout goedkeuren. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft hiertegen beroep aangetekend.

De rechtbank oordeelt dat de brief van 6 juni 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt vast dat de brief feitelijke mededelingen bevat die niet gericht zijn op een rechtsgevolg. Pas als eiser de zorgovereenkomsten met zijn ouders niet stopzet, zal dit in de toekomst gevolgen hebben voor zijn pgb. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn ouders aanwezig waren, evenals de gemachtigde van verweerder.

De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is, omdat verweerder eiser ten onrechte ontvankelijk in zijn bezwaar heeft geacht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2024 en verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de brief van 6 juni 2024. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4493
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. K.M.J. Wartena),
en

VGZ Zorgkantoor B.V., verweerder,

(gemachtigde: mr. M.A.G. Maessen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de brief van 6 juni 2024 waarin verweerder aan eiser de verplichting heeft opgelegd om de zorgovereenkomsten met [de vader van eiser] (de vader van eiser) en [de moeder van eiser] (de moeder van eiser) per 1 januari 2025 stop te zetten. Indien eiser dat niet doet, dan zal verweerder het aan eiser toegekende persoonsgebonden budget (pgb) naar rato berekenen en alleen de dagbesteding (acht dagdelen per week) bij de zorgverlener Ambachtelijk Hout goedkeuren. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de opgelegde verplichting gebleven.
1.2.
Bij brief van 29 september 2025 heeft de rechtbank aan verweerder vragen gesteld.
1.3.
Bij brief van 13 oktober 2025 heeft verweerder op deze vragen gereageerd. Daarnaast heeft verweerder bij brief van 20 oktober 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld van zijn vader en zijn moeder en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of de brief van 6 juni 2024 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 6 juni 2024 terecht ontvankelijk heeft geacht.
2.1.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2.
Verweerder heeft in de brief van 13 oktober 2025 toegelicht dat hij de brief van 6 juni 2024 als een besluit heeft behandeld. Het bezwaar van 23 juni 2024 is ook als zodanig in behandeling genomen. Strikt genomen is de brief van 6 juni 2024 een verzoek van verweerder waarbij het gevolg (besluit inhoudende beperkte toekenning van pgb) is aangekondigd. Nu er op 2 juni 2025 een dergelijk besluit is genomen, heeft verweerder het bezwaar van 23 juni 2024 tevens aangemerkt als een bezwaar tegen de toekenningsbeschikking van 2 juni 2025, ondanks dat tegen dit besluit geen bezwaar is gemaakt namens eiser.
2.3.
Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de brief van 6 juni 2024 wel een besluit is, omdat er een rechtsgevolg in staat. Er staat namelijk in dat eiser met zijn pgb geen individuele begeleiding / zorg meer mag inkopen bij zijn ouders, terwijl hij dat eerst wel mocht.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 6 juni 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze brief feitelijke mededelingen die niet op een rechtsgevolg zijn gericht. Pas als eiser de zorgovereenkomsten met zijn ouders niet stopzet voor 1 januari 2025, zal dit in de toekomst gevolgen hebben voor zijn pgb. Verweerder zal dan namelijk het pgb naar rato gaan berekenen en alleen de dagbesteding (acht dagdelen per week) bij Ambachtelijk Hout goedkeuren. Inmiddels heeft verweerder de daad bij het woord gevoegd en dat besluit genomen op 2 juni 2025.
2.5.
Dat verweerder het bezwaar van 23 juni 2024 ook heeft aangemerkt als een (prematuur) bezwaar tegen de toekenningsbeschikking van 2 juni 2025 en dat bezwaar ontvankelijk acht, moet de rechtbank respecteren [1] . Dat betekent echter niet dat de onderhavige procedure ook betrekking heeft op het besluit van 2 juni 2025. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet mogelijk. Op het moment dat het bestreden besluit werd genomen (20 september 2024) en ook op het moment van het instellen van het onderhavige beroep (28 oktober 2024) was het besluit van 2 juni 2025 namelijk nog niet genomen. Bovendien heeft eiser tegen het besluit van 2 juni 2025 nadien geen bezwaar gemaakt en evenmin te kennen gegeven dat zijn beroep mede daarop betrekking heeft.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is gegrond, omdat verweerder eiser ten onrechte ontvankelijk in zijn bezwaar heeft geacht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank verklaart eiser alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de brief van 6 juni 2024 en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.
4. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2024;
- verklaart eiser alsnog niet-ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de brief van 6 juni 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2025 door
mr. M.M.L. Goofers, voorzitter, en mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: 11 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1933.