ECLI:NL:RBLIM:2025:12283

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/2325
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer door CBR na positieve speeksel- en bloedtest voor drugs

Op 11 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak tussen een verzoeker en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). De zaak betreft een beroep en een verzoek om voorlopige voorziening tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer door het CBR. De aanleiding voor deze maatregel was een verkeersongeval waarbij de verzoeker op 28 januari 2025 betrokken was. Na het ongeval werd bij de verzoeker een speekseltest afgenomen die positief bleek voor cannabis (THC) en cocaïne. Een daaropvolgend bloedonderzoek bevestigde dat de waarden van deze stoffen de wettelijk toegestane limieten overschreden.

De verzoeker was het niet eens met de oplegging van de maatregel en voerde aan dat er niet voldaan was aan de voorwaarden voor de maatregel, omdat er volgens hem onvoldoende aanvullende gegevens waren in het proces-verbaal. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat het CBR de maatregel terecht heeft opgelegd, omdat er voldoende bewijs was dat de verzoeker onder invloed van drugs had gereden. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak benadrukt dat de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid geen ruimte biedt voor een belangenafweging op basis van persoonlijke omstandigheden, en dat de gevolgen van de maatregel niet onevenredig zijn. De verzoeker heeft geen recht op terugbetaling van griffierechten of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/2504 en ROE 25/2325
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten),
en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. M. Ouhbib).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR waarin is bepaald aan verzoeker een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (de maatregel) op te leggen. Verzoeker is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of de maatregel terecht is opgelegd.
1.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt ook de beroepsprocedure en verklaart het beroep ongegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat als gevolg daarvan geen grond meer. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het CBR heeft met het besluit van 17 juli 2025 besloten om aan eiser een maatregel op te leggen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 september 2025 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Kortsluiten?
Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. [1] Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven hier geen bezwaar tegen te hebben.
Waar gaat deze zaak over?
3. Op 28 januari 2025 was verzoeker als bestuurder van een personenauto betrokken bij een verkeersongeval. Bij verzoeker is vervolgens een speekseltest afgenomen waaruit een positieve indicatie voor cannabis (THC) en cocaïne is gevolgd. Aansluitend is bloed afgenomen en uit het bloedonderzoek is gebleken dat de waarden van THC en cocaïne in het bloed de wettelijk toegestane limieten overschrijden. De politie heeft van deze gebeurtenis op 25 februari 2025 een proces-verbaal opgemaakt en deze naar het CBR verstuurd als mededeling dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke/geestelijke geschiktheid als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Vervolgens heeft het CBR aan eiser de maatregel opgelegd.
Wat is het standpunt van verzoeker?
4. Verzoeker voert aan dat de maatregel niet aan hem had mogen worden opgelegd. Er is namelijk niet voldaan aan de voorwaarden om de maatregel op te leggen. Zo is er volgens verzoeker geen sprake van aanvullende gegevens in het proces-verbaal die ertoe leiden dat het vermoeden bestaat dat verzoeker onder invloed heeft gereden. Het enkele feit dat er een positieve speekseltest is afgenomen vindt verzoeker onvoldoende. Verzoeker verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2025 [2] waarin de rechtbank heeft overwogen dat een positieve speekseltest in samenhang met de bloedtest onvoldoende is voor het aannemen van een vermoeden van rijden onder invloed van drogerende middelen. In deze uitspraak stat verder dat uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever heeft bedoeld dat voor het aannemen van ongeschiktheid meer nodig is dan de enkele aanwezigheid van drugs in het lichaam. Zowel het bloedonderzoek en de speekseltest zijn twee methoden om drugs in het lichaam aan te tonen en daarnaast moet er dus een andere omstandigheid zijn die maakt dat er een vermoeden van rijden onder invloed bestaat. Dit is volgens verzoeker in zijn geval niet zo.
Wat zijn de regels?
5. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Mocht het CBR aan eiser een maatregel opleggen?
6. Op grond van artikel 17, eerste lid en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien ten aanzien van betrokkene een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen over het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, zijn rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR aan eiser een maatregel heeft mogen opleggen. Aan de voorwaarden die volgen uit artikel 17, eerste lid, onder a van de Regeling is voldaan waardoor de bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel ontstond. In het geval van verzoeker heeft de politie op 25 februari 2025 een proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wvw op 28 januari 2025. Uit het proces-verbaal van de politie komt naar voren dat bij verzoeker een speekseltest is afgenomen en dat deze een indicatie gaf voor de stoffen THC en cocaïne. Zelfs als verzoeker gevolgd zou worden in het standpunt dat de speekseltests geen aanvullend gegeven is, is er sprake van andere aanvullende gegevens.
Op pagina 2 van het verhoor staat het volgende:
“P: Hoeveel drugs heeft u de afgelopen 48 uur gebruikt?
V: Gisteravond heb ik een jointje gerookt. De avond ervoor ook. Ik rook elke dag een jointje. Ik heb van het weekend een beetje cocaïne gepakt, nog geen halve gram denk ik. 2 of 3 puntjes.
P: Gebruikt u regelmatig drugs?
V: Ja, ik blow elke dag. Hard drugs niet elke dag, af en toe als ik op stap ga.
P: Met welke regelmaat gebruikt u deze drugs?
V: Elke dag een jointje en sporadisch cocaïne als ik op stap ga.”
Uit de toelichting bij de Regeling volgt dat verklaringen van de bestuurder dat hij kort voor het rijden verdovende middelen heeft gebruikt, kunnen worden aangemerkt als aanvullend gegeven. Nu THC, zeker bij regelmatig gebruik, langdurig in de bloedspiegel aanwezig blijft, kan deze verklaring van verzoeker als aanvullend gegeven worden aangemerkt.
6.2.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bloedonderzoek, de speekseltest en de verklaringen van verzoeker voldoende zijn om het vermoeden van rijden onder invloed van drugs en daarmee het vermoeden van ongeschiktheid, te rechtvaardigen. Het CBR heeft op goede gronden besloten om verzoeker de maatregel op te leggen.
Is het opleggen van de maatregel evenredig?
7. De Regeling laat geen ruimte voor een belangenafweging op basis van persoonlijke omstandigheden. In zeer uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. Daar is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van. Verzoeker heeft stukken overgelegd over zijn psychische klachten. Ter zitting is besproken dat en welke andere mogelijkheden er zijn indien verzoeker niet in staat is om deel te nemen aan de cursus. De gemachtigde van verzoeker zal de mogelijkheden met verzoeker bespreken en contact opnemen met het CBR indien nodig. Vooralsnog heeft verzoeker niet gevraagd om een alternatieve maatregel op te leggen. De voorzieningenrechter laat het daarom aan partijen over hierover in contact te treden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR aan verzoeker een maatregel mocht opleggen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 11 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994
Artikel 8
1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan — al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof — de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen of tot behoorlijk te begeleiden in staat moet worden geacht.
[…]
5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.
[…]
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
[…]
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 17
1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel drugs en verkeer indien:
a. ten aanzien van betrokkene proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de wet of wegens het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek, en de politie in het proces-verbaal aanvullende gegevens heeft opgenomen betreffende het gedrag of de uiterlijke kenmerken van de betrokkene, diens rijgedrag, dan wel andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen;
[…]

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.