ECLI:NL:RBLIM:2025:12544

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
ROE 24/4463
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van persoonsgebonden budget door zorgkantoor na fraude-onderzoek

In deze uitspraak van de Rechtbank Limburg, gedateerd 17 december 2025, staat de wijziging van het persoonsgebonden budget (pgb) van eiseres centraal. Eiseres had haar dochter als zorgverlener aangesteld, maar het zorgkantoor, CZ zorgkantoor B.V., heeft besloten dat zij per 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. Dit besluit is genomen naar aanleiding van geconstateerde fraude door de dochter met het pgb van een andere persoon. De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres met haar dochter als zorgverlener niet langer in staat is om op doelmatige wijze te voorzien in verantwoorde zorg van voldoende kwaliteit. De rechtbank heeft vastgesteld dat de zorg door de dochter niet is geleverd en dat er sprake is van fraude. Eiseres heeft wel recht op een vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht, omdat het zorgkantoor in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres ongegrond, maar wijst op de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase, wat leidt tot een vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4463

uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen 17 december 2025

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.H.J.M. Stassen),
en

CZ zorgkantoor B.V., verweerder,

(gemachtigde: mr. P.M.M. van der Loo).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarin verweerder eiseres heeft bericht dat zij met haar persoonsgebonden budget (pgb) per 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder dit besluit heeft mogen nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder dat besluit heeft mogen nemen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Wel krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten in beroep en het door haar betaalde griffierecht terug. Verweerder heeft namelijk in de bezwaarfase de hoorplicht van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verweerder heeft eiseres met het besluit van 26 februari 2024 (het primaire besluit) bericht dat zij vanaf 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter [naam dochter] ( [naam dochter] ).
2.1.
Met het bestreden besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld van [gemachtigde 1] , de gemachtigde van verweerder, vergezeld van mr. M. van Hassel en [gemachtigde 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Eiseres, geboren in 1935, heeft een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Zij kocht haar zorg in met een pgb. Haar dochter was haar gewaarborgde hulp en haar zorgverlener.
3.1.
Na vier signalen van mogelijke fraude met pgb’s door [naam dochter] en [gemachtigde 1] ( [gemachtigde 1] ) is Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) van verweerder in april 2023 een fraudeonderzoek gestart.
3.2.
Op 14 augustus 2023 heeft er met [naam dochter] en [gemachtigde 1] een gesprek op het zorgkantoor plaatsgevonden.
3.3.
Op 8 november 2023 heeft BBO een brief gestuurd aan [naam dochter] en [gemachtigde 1] waarin staat dat sprake is van fraude door [naam dochter] en [gemachtigde 1] met betrekking tot het pgb van [naam 1] ( [naam 1] ). Dit heeft tot gevolg dat [naam dochter] vanaf 1 december 2023 geen zorgverlener en ook geen gewaarborgde hulp van eiseres meer mag zijn.
3.4.
Bij brief van 22 december 2023 heeft verweerder eiseres bericht dat zij op zoek moet naar een andere gewaarborgde hulp.
3.5.
Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres bericht dat zij vanaf 1 januari 2024 geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. De reden hiervoor is dat verweerder er gezien de eerder geconstateerde fraude door [naam dochter] vanuit gaat dat bij het verlenen van zorg aan eiseres niet zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit [1] .
3.6.
Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat er een afspraak is gemaakt tussen [naam zoon eiseres] ( [naam zoon eiseres] [2] ), [gemachtigde 1] en [naam dochter] ( [bedrijfsnaam] [3] ) met betrekking tot het pgb van [naam 1] . Deze afspraak hield het volgende in. Voor [naam dochter] zouden twintig gewerkte uren worden opgegeven, maar in werkelijkheid verleende [naam dochter] geen uren zorg aan [naam 1] . Het geld dat voor die uren binnen zou komen, zou worden gebruikt om de belasting van [naam zoon eiseres] te betalen [4] . Maar dat laatste is vervolgens niet gebeurd. Het geld is dus bij [naam dochter] terecht gekomen, terwijl zij geen zorg heeft geleverd aan [naam 1] .
3.6.1.
Verweerder heeft ter onderbouwing van deze afspraak verwezen naar de door [naam zoon eiseres] afgelegde verklaring tijdens het gesprek op 11 juni 2024, dat door verweerder met hem en [naam 1] is gevoerd, namelijk dat hij zijn bruto loon als netto gestort kreeg, dus zonder belastingafdracht en dat hij dit van [gemachtigde 1] ook allemaal op mocht maken. [gemachtigde 1] zou voor hem de belasting betalen van de uren die ze zouden indienen op naam van [naam dochter] als zorgverlener. [naam dochter] werd in de papieren op twintig uren zorg gezet bij het pgb van [naam 1] , maar verleende volgens [naam zoon eiseres] geen zorg. [gemachtigde 1] heeft volgens [naam zoon eiseres] aan hem beloofd alles met de Belastingdienst te regelen, maar later kreeg [naam zoon eiseres] brieven van de Belastingdienst dat er nooit belasting is betaald over zijn loon in deze periode. Toen werd hem duidelijk dat [gemachtigde 1] nooit iets namens hem aan de Belastingdienst heeft betaald. Dat deze afspraak daadwerkelijk is gemaakt blijkt volgens verweerder ook uit een WhatsApp bericht van 8 november 2019 van [gemachtigde 1] aan [naam zoon eiseres] . Hierin staat:
“Even het volgende. Je uren worden netto betaald vanwege de uren die [naam dochter] opgeeft. Dat mag ook door een ander gedaan worden. Dat maakt voor ons niets uit. Denk daar even over na. Dan hebben we het er nog over. Wat er aan [naam dochter] aan uren wordt betaald zijn de belastinggelden. Dus er zitten geen winsten of verdiensten in. Maar dat mag van mij ook met alle liefde naar [naam kleindochter 1] of [naam kleindochter 2] [5] of iemand anders. We hebben het er nog over.”
Volgens verweerder sluit het verhaal van [naam zoon eiseres] naadloos aan op dit WhatsApp bericht.
3.6.2.
Daarnaast blijkt uit de zorgovereenkomst tussen [naam zoon eiseres] en [naam 1] dat is aangevinkt dat er geen tussenkomst door de SVB moet zijn. Dit betekent feitelijk dat [naam zoon eiseres] inderdaad bruto betaald kreeg en zelf op een andere manier voor de afdracht van belasting moest zorgen. Verweerder vindt de verklaring van [naam zoon eiseres] extra aannemelijk, omdat het niet in zijn belang is om dit te vertellen. Hij geeft hiermee immers aan zelf niet correct gehandeld te hebben met de eventuele gevolgen van dien.
Ook de vermelding in het WhatsApp bericht dat het [gemachtigde 1] kennelijk niet uitmaakt op naam van welke zorgverlener de uren die [naam dochter] opgeeft worden betaald, bevestigt volgens verweerder dat de afspraak waarover [naam zoon eiseres] heeft verklaard daadwerkelijk is gemaakt. Als het zou gaan om daadwerkelijke verleende zorg, zou het uiteraard wel uitmaken aan wie er uren worden uitbetaald. Omdat het in dit geval enkel gaat om het op papier regelen van een zorgverlener en het geld hoe dan ook bij [naam dochter] en/of [gemachtigde 1] terecht zou komen, maakte het in dit geval niet uit of [naam dochter] , [naam kleindochter 1] of [naam kleindochter 2] als zorgverlener werden opgevoerd. In de zorgovereenkomst van [naam kleindochter 1] staat namelijk een rekeningnummer van [naam dochter] en in de zorgovereenkomst van [naam kleindochter 2] staat een rekeningnummer van het bedrijf [bedrijfsnaam] Hieruit maakt verweerder op dat als [naam kleindochter 1] en [naam kleindochter 2] betaald zouden worden, het geld niet bij hen, maar bij [naam dochter] en/of [gemachtigde 1] terecht zou komen.
3.6.3.
Daarnaast verwijst verweerder nog naar een ontvangen e-mail van 16 september 2024 van een medewerker van MEE Zuid-Limburg, die cliëntondersteuner is geweest van [naam 1] . In deze e-mail maakt deze medewerker melding van een gesprek met [naam zoon eiseres] waarin hij vertelde dat er zorgovereenkomsten waren gemaakt met zorgverleners (die niet werkzaam waren als zorgverlener en/of zelf niet uitbetaald werden) en declaraties werden ingediend uit naam van die zogenaamde zorgverleners, waardoor meer inkomen voor hem mogelijk was. De inhoud van deze e-mail sluit volgens verweerder eveneens naadloos aan bij het verhaal van [naam zoon eiseres] . Alleen al doordat deze afspraak is gemaakt, staat volgens verweerder vast dat de door of namens [naam dochter] gedeclareerde zorg niet geleverd is en dat er is gefraudeerd met het pgb van [naam 1] door [naam dochter] en [gemachtigde 1] .
3.6.4.
Daarnaast blijkt de fraude met het pgb van [naam 1] volgens verweerder ook uit het volgende. Verweerder heeft geen eenduidig beeld kunnen krijgen over wanneer de zorg nu daadwerkelijk geleverd zou zijn. Er is daarover steeds wisselend verklaard. Daarnaast declareert [naam dochter] gemiddeld in totaal (aan zorg voor eiseres en voor [naam 1] ) 200 uur per maand. In november 2020 heeft ze zelfs 349,62 uur en in december 2020 347,53 uur gedeclareerd. Dit komt neer op gemiddeld zeven dagen in de week minstens tien uur per dag voor een lange periode achter elkaar. Dat vindt verweerder onaannemelijk.
Heeft verweerder een onvolledig dossier overgelegd?
4. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat verweerder het dossier selectief zou hebben samengesteld en ontlastende stukken niet aan het dossier zou hebben toegevoegd. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat zij hiermee heeft bedoeld de melding van Meander en de onderzoeken met betrekking tot de andere pgb’s waar [naam dochter] en/of [gemachtigde 1] zorgverlener en/of gewaarborgde hulp waren en waarbij geen onregelmatigheden zijn geconstateerd.
4.1.
De rechtbank heeft deze beroepsgrond in die zin opgevat dat eiseres daarmee stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zoals bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb heeft overgelegd. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [6] volgt dat het aan verweerder is om te beoordelen wat de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres genoemde ontlastende stukken in deze zaak niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorliggende besluitvorming. Het gaat in deze zaak om de door verweerder gestelde fraude met het pgb van [naam 1] en niet om de andere pgb’s waar [naam dochter] en/of [gemachtigde 1] bij betrokken waren. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Heeft verweerder een onbevangen en/of onafhankelijk onderzoek verricht?
5. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder geen onbevangen en/of onafhankelijk onderzoek gericht op waarheidsvinding heeft verricht. Eiseres wilde in de bezwaarfase een aantal medewerkers van BBO als getuigen (laten) horen over de manier waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft hier niet aan willen meewerken. Verder heeft eiseres [naam 1] en [naam zoon eiseres] nooit zelf kritisch kunnen bevragen. Ook zijn [naam 1] en [naam zoon eiseres] niet onder ede gehoord of erop gewezen dat de inhoud van hun verklaringen verstrekkende gevolgen kan hebben. Volgens eiseres is het in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat zij niet de door haar gewenste getuigen in bezwaar heeft kunnen horen en dat verweerder [naam 1] en [naam zoon eiseres] niet in haar bijzijn heeft gehoord. Verweerder heeft hiermee haar ondervragingsrecht geschonden.
5.1.
De rechtbank heeft deze beroepsgrond in die zin opgevat dat eiseres daarmee stelt dat het door verweerder verrichte onderzoek in de bezwaarfase zonder die verklaringen van de medewerkers van BBO en zonder dat eiseres [naam 1] en [naam zoon eiseres] zelf kritisch heeft kunnen bevragen onzorgvuldig en onvolledig is geweest.
5.2.
De rechtbank maakt uit het dossier op dat eiseres op de hoorzitting van 8 april 2024 heeft verzocht om getuigen te mogen horen. Bij e-mail van 6 mei 2024 heeft eiseres verweerder bericht dat zij zes getuigen zou willen horen (eiseres zelf, [naam dochter] , [gemachtigde 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] ). En daarnaast zou eiseres nog vier medewerkers van BBO ( [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] ) willen horen. Verweerder heeft eiseres vervolgens uitgenodigd voor een tweede hoorzitting op 16 mei 2024. Bij e-mail van 8 mei 2024 heeft verweerder eiseres bericht dat de zes door eiseres mee te brengen getuigen op deze nadere hoorzitting zullen worden gehoord. De door eiseres voorgestelde vier medewerkers van BBO zullen niet worden gehoord. Bij e-mail van 15 mei 2024 heeft eiseres zichzelf en de andere vijf getuigen afgemeld voor de nadere hoorzitting. Dit omdat eiseres van mening is dat verweerder het bezwaar niet onbevangen en onafhankelijk zal beoordelen.
De rechtbank stelt vast dat eiseres hiermee dus zelf geen gebruik heeft gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om getuigen mee te nemen en deze te (laten) horen.
5.3.
Vervolgens heeft verweerder de door eiseres voorgestelde getuigen per brief van 23 mei 2024 uitgenodigd om hun verklaringen alsnog mondeling op het zorgkantoor toe te lichten. Verweerder heeft van [naam 3] en [naam 4] geen reactie gekregen en [naam 2] heeft verweerder bericht dat zij enkel per e-mail een verklaring wilde afleggen. Dit laatste was voor verweerder geen optie.
Vervolgens heeft verweerder [naam zoon eiseres] en [naam 1] op 11 juni 2024 uitgenodigd voor een gesprek op het zorgkantoor. Eiseres heeft van verweerder op 28 juni 2024 het verslag van dit gesprek toegestuurd gekregen. Op 12 augustus 2024 is eiseres uitgenodigd voor een gesprek op het zorgkantoor.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is het door verweerder verrichte onderzoek in de bezwaarfase zonder de verklaringen van de medewerkers van BBO en zonder dat eiseres [naam 1] en [naam zoon eiseres] zelf kritisch heeft kunnen bevragen niet onzorgvuldig en onvolledig geweest. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze zaak heeft kunnen beslissen om de medewerkers van BBO niet te horen. De rechtbank ziet niet in wat de relevantie hiervan voor de waarheidsvinding was en is. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder ervoor heeft kunnen kiezen om zonder dat eiseres en haar gemachtigde erbij waren in gesprek te gaan met [naam 1] en [naam zoon eiseres] . Het was een gesprek in het kader van nader onderzoek in de bezwaarfase door verweerder waarbij geen sprake was van vervolging (een criminal charge). Er was daarom geen sprake van een ondervragingsrecht of een recht om getuigen op te roepen van eiseres op grond van artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Eiseres heeft het verslag van dit gesprek gekregen en heeft hierop kunnen reageren. Daarmee heeft verweerder de hoorplicht gerespecteerd en zorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van de besluitvorming. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Heeft eiseres in de bezwaarfase op nadere stukken kunnen reageren?
6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij in de bezwaarfase niet genoeg tijd heeft gekregen om op het door [naam zoon eiseres] overgelegde WhatsApp bericht van 8 november 2019 te kunnen reageren. Verder heeft eiseres in de bezwaarfase in het geheel niet de gelegenheid gekregen om op de anonieme verklaring van een medewerker van MEE van 16 september 2024 te reageren. Dit is in strijd met de regels van hoor en wederhoor.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt. Het WhatsApp bericht van [gemachtigde 1] aan [naam zoon eiseres] van 8 november 2019, waarop verweerder het bestreden besluit in belangrijke mate heeft gebaseerd, heeft verweerder verkregen in juni 2024 na het gesprek met [naam zoon eiseres] en [naam 1] op 11 juni 2024. Verweerder heeft vóór het gesprek met eiseres op 12 augustus 2024 weliswaar het verslag van het gesprek van 11 juni 2024 aan eiseres gestuurd, maar niet een afschrift van het WhatsApp bericht van 8 november 2019. Verweerder heeft eiseres pas op 3 september 2024 een stapel stukken, waaronder het voor deze zaak cruciale WhatsApp bericht van [gemachtigde 1] aan [naam zoon eiseres] , toegestuurd. Vervolgens heeft verweerder eiseres maar tot en met 6 september 2024 de tijd gegeven om op deze stapel stukken te reageren en het verzoek van eiseres om een reactietermijn tot 1 oktober 2024 afgewezen. Door eiseres pas zo laat in de bezwaarfase dat WhatsApp bericht toe te sturen en eiseres geen redelijke reactietermijn meer te geven, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de hoorplicht van artikel 7:9 van de Awb geschonden. Het e-mailbericht van MEE heeft verweerder in het geheel niet aan eiseres voorgelegd en als bijlage bij het bestreden besluit aan eiseres toegestuurd.
6.2.
De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet tot een vernietiging van het bestreden besluit leidt. Eiseres heeft namelijk in beroep gelegenheid gehad om (alsnog) op deze twee stukken te reageren, zodat aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld. Het gebrek zal daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.
Heeft verweerder de verleningsbeschikking mogen wijzigen?
7. Eiseres heeft aangevoerd dat haar dochter wel zorg heeft verleend aan [naam 1] en dat er dus geen sprake is van fraude met betrekking tot het pgb van [naam 1] . Volgens eiseres blijkt dit uit de door haar overgelegde foto’s en WhatsApp berichten. [naam dochter] heeft op alle dagen van de week de noodzakelijke zorg ten behoeve van [naam 1] verleend. Er waren dus geen vaste dagen. Op de woensdag ging [naam 1] naar een fysiotherapeut in Valkenburg. Daarna werd zij door [naam zoon eiseres] bij [naam dochter] gebracht en ging [naam zoon eiseres] weg. Dan was eiseres al aanwezig om zorg te krijgen van [naam dochter] . Dit was niet iedere woensdag het geval, omdat [naam 1] niet iedere woensdag naar de fysiotherapeut moest. [naam 1] heeft een indicatie voor 24 uur per dag aan zorg, zeven dagen per week (LG Wonen met intensieve begeleiding). Er waren dus veel uren zorg nodig.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat dat verweerder het pgb van eiseres heeft gewijzigd in die zin dat eiseres geen zorg meer mag inkopen bij haar dochter. Verweerder mag het pgb wijzigen als de bij het pgb opgelegde verplichtingen niet worden nagekomen en/of als niet meer voldaan is aan de verleningsgronden zoals het leveren van kwalitatief verantwoorde zorg en op doelmatige wijze voorzien in verantwoorde zorg van voldoende kwaliteit [7] .
7.2.
In artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz is bepaald dat – voor zover hier van belang – het pgb wordt verleend, indien naar het oordeel van het zorgkantoor met het pgb op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.
7.3.
In artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz is bepaald dat het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan intrekken of wijzigen met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het pgb of aan de eisen van gewaarborgde hulp.
7.4.
Bij besluit van 18 november 2023 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2024 een indicatie voor zorg op grond van de Wlz in de vorm van een pgb toegekend. Dat besluit heeft verweerder met het primaire besluit van 26 februari 2024 gewijzigd. Bij besluit van 9 april 2025 heeft verweerder een vaststellingsbeschikking en budgetafrekening voor het jaar 2024 afgegeven.
Uit vaste rechtspraak van de CRvB [8] volgt dat zolang het pgb niet is vastgesteld, verweerder de verleningsbeschikking kan intrekken of wijzigen. Een besluit tot intrekking van de verleningsbeschikking of wijziging van de verleningsbeschikking ten nadele van de verzekerde is een voor de verzekerde belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor de intrekking of wijziging is voldaan in beginsel op verweerder.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daar in deze zaak in geslaagd. Verweerder heeft nauwkeurig uiteengezet en daarmee voldoende gemotiveerd dat de zorg door [naam dochter] niet is geleverd aan [naam 1] en dat er dus is gefraudeerd met het pgb van [naam 1] door [naam dochter] en [gemachtigde 1] . De rechtbank acht voor dit oordeel niet alleen de verklaring van [naam zoon eiseres] van belang, maar met name het feit dat deze verklaring overeen komt met hetgeen in het WhatsApp bericht dat [gemachtigde 1] op 8 november 2019 aan [naam zoon eiseres] heeft gestuurd, staat. De rechtbank kan dit WhatsApp bericht niet anders opvatten dan dat [naam zoon eiseres] over hetgeen hij uit het pgb van [naam 1] betaald krijgt, geen belasting hoeft te betalen, maar dat zijn belasting wordt betaald van de uren die [naam dochter] opgeeft en uitbetaald krijgt. Hoewel in dit WhatsApp bericht niet met zoveel woorden staat dat [naam dochter] voor de opgegeven uren geen zorg zal leveren, volgt dit uit de context. Er staat namelijk dat hetgeen [naam dochter] doet, ook door een ander gedaan mag worden. Verderop in het WhatsApp bericht worden in dat verband [naam kleindochter 1] en [naam kleindochter 2] genoemd of (wederom) iemand anders. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat een derde bereid zou zijn voor de opgegeven uren wel te werken, maar niet betaald te krijgen.
De rechtbank acht in dit kader ook van belang dat er over de inhoud van het WhatsApp bericht van 8 november 2019 steeds wisselend is verklaard. In een e-mail van [gemachtigde 1] van 4 september 2024 aan verweerder schrijft zij dat het bericht niets zegt over de gemaakte uren, maar wel dat [naam dochter] en zij weer “de financiële shit van die familie” moesten oplossen. Immers stelt zij in dit bericht voor dat ook de dochters van [naam zoon eiseres] ( [naam kleindochter 1] en/of [naam kleindochter 2] ) die zorg mogen doen voor hun moeder en dat dat hen ( [naam dochter] en [gemachtigde 1] ) niets uitmaakt. Omdat ze de verdiensten van het pgb ook aan hen zouden overdragen als dat hun wens zou zijn geweest. Maar [naam kleindochter 1] en [naam kleindochter 2] willen niet voor hun moeder zorgen. En dat zou dan nooit kunnen, want dan zouden zij ook hun uren moeten doorbetalen aan hun vader [naam zoon eiseres] en dan zouden zij ook belasting moeten gaan betalen over geld dat zij niet zelf mogen houden. De constructie die door [naam zoon eiseres] en verweerder wordt gecreëerd, namelijk dat [naam dochter] geen uren zorg levert aan [naam 1] , maar deze wel laat uitbetalen om daarmee de inkomstenbelasting van [naam zoon eiseres] te betalen, is volgens [gemachtigde 1] dan ook onjuist.
In het beroepschrift wordt daarentegen gesteld dat het WhatsApp bericht te maken had met het feit dat [naam zoon eiseres] van plan was een eenmanszaak op te richten, genaamd Zorgadvies Nederland (Z.A.N.). Het WhatsApp bericht zou dus niet gaan over het pgb van [naam 1] .
Ook op de zitting heeft de rechtbank twee verschillende verklaringen inzake het WhatsApp bericht gehoord. Eerst werd door [gemachtigde 1] verklaard dat [naam dochter] geld terug zou krijgen van de Belastingdienst (een negatieve beschikking inkomstenbelasting) en dat ze dat geld aan [naam zoon eiseres] wilde geven, omdat [naam zoon eiseres] altijd in de financiële problemen zit. Later verklaarde [gemachtigde 1] dat [naam dochter] werkte voor het bedrijf van [naam zoon eiseres] en dat ze dan voor zijn inkomstenbelasting zou werken. Het zou geen betrekking hebben op het pgb van [naam 1] . De vraag hoe [naam kleindochter 1] en [naam kleindochter 2] dan passen in deze uitleg van het WahtsApp bericht werd niet beantwoord.
7.6.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen [9] dat eiseres met haar dochter als zorgverlener niet langer in staat wordt geacht om op doelmatige wijze te voorzien in verantwoorde zorg van voldoende kwaliteit. Hieruit volgt dat eiseres niet langer voldeed aan de verleningsgrond van artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, zodat verweerder – alleen al daarom – op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz bevoegd was om het pgb van eiseres te wijzigen.
7.7.
De wijze waarop verweerder gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om het pgb van eiseres te wijzigen, leidt niet tot een voor eiseres onevenredige uitkomst. Eiseres heeft de beschikking behouden over een pgb, zij het dat zij haar dochter per 1 januari 2024 niet meer mag inhuren als haar zorgverlener. De rechtbank onderschrijft de door verweerder gemaakte belangenafweging. Eiseres heeft hier ook niets over aangevoerd.
Het verzoek van eiseres aan de rechtbank om getuigen op te roepen
8. Eiseres heeft op de zitting de rechtbank verzocht om alsnog zeven personen als getuige op te roepen, te weten: [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam dochter] , [gemachtigde 1] , [naam zoon eiseres] en [naam 1] .
8.1.
De rechtbank is na ampele overweging tot het oordeel gekomen aan dit verzoek geen gevolg te geven. Allereerst merkt de rechtbank op dat [gemachtigde 1] op de zitting aanwezig was en in de gelegenheid is geweest hetgeen zij van belang achtte naar voren te brengen. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat eiseres op grond van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb de mogelijkheid heeft gehad zelf getuigen mee te brengen naar de zitting, op welke mogelijkheid haar in de uitnodiging voor de zitting is gewezen. Van deze mogelijkheid heeft eiseres echter geen gebruik gemaakt. De rechtbank ziet niet in waarom zij naast [gemachtigde 1] niet ook [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam dochter] mee naar zitting heeft genomen, indien zij belang hechtte aan het horen van hen, te meer nu deze allen ten gunste van eiseres zouden verklaren. Verder heeft eiseres in de bezwaarfase de gelegenheid gehad deze personen te (laten) horen, van welke gelegenheid zij heeft afgezien. Verder bevinden zich in het procesdossier reeds schriftelijke verklaringen van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
8.2.
De rechtbank realiseert zich dat artikel 8:60, vierde lid, van de Awb eiseres geen soelaas had geboden met betrekking tot het horen van [naam zoon eiseres] en [naam 1] . Immers door hen hoeft aan een oproeping door eiseres om als getuige op de zitting van de rechtbank te worden gehoord, geen gevolg te worden gegeven. Dit is anders wanneer zij door de rechtbank als zodanig worden opgeroepen. De rechtbank gaat hier niet toe over, omdat ook al zou door hen teruggekomen worden op wat eerder is verklaard, dit niet kan afdoen aan het WhatsApp bericht van [gemachtigde 1] aan [naam zoon eiseres] van 8 november 2019 en hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder heeft mogen bepalen dat eiseres met ingang van 1 januari 2024 met haar pgb geen zorg meer mocht inkopen bij haar dochter [naam dochter] . Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb krijgt eiseres wel een vergoeding voor haar proceskosten in beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907,- per punt). Ook krijgt zij het betaalde griffierecht in beroep terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres in beroep betaalde griffierecht vergoedt tot een bedrag van € 51,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, voorzitter, en mr. M.M.L. Goofers en mr. T.G. Klein, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 17 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:48

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien:
a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;
c. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;
d. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of
e. met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
2. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.
Wet langdurige zorg

Artikel 3.3.3

1. Het zorgkantoor verleent op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het vierde en vijfde lid alsmede andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, een persoonsgebonden budget waarmee de verzekerde, in plaats van zorg in natura te ontvangen, zelf betalingen doet voor zorg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdelen a, onder 2°, b, f of g en andere huishoudelijke hulp dan het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde. De verzekerde ziet af van het recht op verblijf en van de daarmee gepaard gaande voorziening, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede van de behandeling, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel d.
2. Voordat een besluit op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan de verzekerde of zijn vertegenwoordiger het zorgkantoor een persoonlijk plan overhandigen, waarin de verzekerde of zijn vertegenwoordiger de door hem beoogde samenstelling van het persoonsgebonden budget schetst. Het zorgkantoor brengt de verzekerde of zijn vertegenwoordiger van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3. Indien de verzekerde of zijn vertegenwoordiger een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het zorgkantoor heeft overhandigd, betrekt het zorgkantoor het persoonlijk plan bij het nemen van het besluit op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid.

4. Het persoonsgebonden budget wordt, onverminderd het vijfde lid en andere bij wettelijk voorschrift gestelde voorwaarden of beperkingen, verleend, indien:

a. naar het oordeel van het zorgkantoor met het persoonsgebonden budget op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit;
b. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de aan een budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren;
c. de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor in staat is te achten op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger, de door hem verkozen zorgaanbieders en mantelzorgers op zodanige wijze aan te sturen en hun werkzaamheden op elkaar af te stemmen, dat sprake is of zal zijn van verantwoorde zorg;
d. de verzekerde zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij zorg met een persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen, en,
e. de verzekerde bij de aanvraag een budgetplan voorlegt aan het zorgkantoor.
5. Het persoonsgebonden budget wordt in ieder geval geweigerd indien:
a. de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen;
b. de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres;
c. de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
d. de vertegenwoordiger van de verzekerde niet voldoet aan regels inhoudende beperkingen of eisen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kring van vertegenwoordigers kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de verzekerde of van het waarborgen van de hulp, bedoeld in de onderdelen b en c van het vierde lid.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.
7. De Sociale verzekeringsbank voert namens de zorgkantoren de betalingen ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten, alsmede het hiermee verbonden budgetbeheer, uit.
8. De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:
a. de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder de verzekerde aan wie een persoonsgebonden budget wordt verleend, de mogelijkheid heeft om zorg te betrekken van een mantelzorger of een natuurlijke persoon die niet beroeps- of bedrijfsmatig zorg verleent, of die persoon vanuit het persoonsgebonden budget te betalen;
b. verplichtingen die aan de verzekerde worden opgelegd met betrekking tot de overeenkomsten die de verzekerde sluit met de personen van wie hij de zorg betrekt en daarvoor betaling ontvangen uit het persoonsgebonden budget;
c. de gevallen waarin, onverminderd het vierde en vijfde lid, verzekerden worden uitgesloten van de verlening van een persoonsgebonden budget;
d. de wijze waarop de Sociale verzekeringsbank de taak, bedoeld in het zevende lid, uitvoert, en
e. de vorm en inhoud van het budgetplan, bedoeld in het vierde lid, onderdeel e.
9. De op grond van het eerste, vijfde, zesde en achtste lid gestelde regels kunnen voor verschillende categorieën van verzekerden verschillend worden vastgesteld.
Regeling langdurige zorg

Artikel 5.18

Bij de verlening van het persoonsgebonden budget worden de verzekerde in ieder geval de volgende verplichtingen opgelegd:

a. de verzekerde gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor het doen betalen door de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid;
b.
de zorg die de verzekerde inkoopt, is kwalitatief verantwoord;
c. de verzekerde past een zorgovereenkomst en zorgbeschrijving onverwijld aan indien van enige verandering in de daarin opgenomen feiten sprake is;
d. de verzekerde draagt er zorg voor dat een zorgverlener op wie het Arbeidstijdenbesluit niet van toepassing is niet meer dan veertig uur in één week voor hem werkzaamheden verricht;
e. de verzekerde laat de betalingen aan de zorgverlener uitsluitend verrichten door de Sociale verzekeringsbank, tenzij het gaat om kosten verbonden aan vervoer als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel f, van de wet, waarvoor geen zorgovereenkomst is gesloten;
f. de verzekerde besteedt het persoonsgebonden budget niet aan logeeropvang buiten de Europese Unie;
g. de verzekerde deelt het zorgkantoor op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking van het persoonsgebonden budget.

Artikel 5.20

1. Het zorgkantoor wijzigt de verleningsbeschikking of trekt deze in:
a. met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt;
b. met ingang van de dag waarop de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zorgverzekeringswet;
c. met ingang van de dag vanaf welke de verzekerde schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op het persoonsgebonden budget;
d. met ingang van de dag waarop het zorgkantoor, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige verzekerde aangevraagd persoonsgebonden budget in zodanige mate niet voor de inkoop van zorg ten behoeve van die verzekerde zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van die verzekerde tot gevolg zal hebben;
e. met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit ten nadele van de verzekerde wordt herzien als gevolg van bezwaar en beroep.
2.
Het zorgkantoor kan de verleningsbeschikking intrekken of wijzigen:
a. met ingang van de dag waarop de verzekerde niet beschikt over een woonadres als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen;
b.
met ingang van de dag waarop de verzekerde, of de derde die aan de verzekerde gewaarborgde hulp biedt, de opgelegde verplichtingen niet nakomt of niet langer voldoet aan de voorwaarden of verleningsgrond van het persoonsgebonden budget dan wel verhoging van het budget als bedoeld in artikel 5.1c, vijfde lid, of aan de eisen van gewaarborgde hulp; of
c. indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen.

Voetnoten

1.Artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) in combinatie met artikel 5.18, aanhef en onder b, van de Rlz en artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz.
2.[naam zoon eiseres] is de zoon van eiseres, de broer van [naam dochter] en de ex-echtgenoot van [naam 1] .
3.[bedrijfsnaam] is het bedrijf van [gemachtigde 1] en van [naam dochter] .
4.[naam zoon eiseres] verleende uren zorg aan [naam 1] en over hetgeen hij daarvoor betaald kreeg uit het pgb van [naam 1] was nog geen belasting betaald.
5.Beiden kleindochter van eiseres.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:660.
7.Artikel 4:48, eerste lid, van de Awb juncto artikel 5:20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz juncto artikel 5:18, aanhef en onder b, van de Rlz juncto artikel 3.3.3., vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz.
8.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2022:287.
9.Gelet op de bewoordingen van artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz heeft het zorgkantoor beoordelingsruimte bij het bepalen of met het pgb op doelmatige wijze zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit.