ECLI:NL:RBLIM:2025:12635

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
ROE 25 / 2628 en ROE 25 / 2630
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom voor bouwwerken in strijd met omgevingsplan; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen

Op 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak waarin eiseres, een eigenaar van twee bospercelen in Maasbree, in beroep ging tegen een last onder dwangsom die haar was opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas. De last was opgelegd vanwege de aanwezigheid van bouwwerken die in strijd waren met het omgevingsplan. Eiseres verzocht om een voorlopige voorziening, maar de voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek af. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht had vastgesteld dat eiseres als overtreder kon worden aangemerkt en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van handhavend optreden af te zien. Eiseres had geen omgevingsvergunning of gedoogbeschikking overgelegd en het college had geen toezegging gedaan dat de bouwwerken gedoogd zouden worden. De voorzieningenrechter concludeerde dat de belangen van het college bij handhaving zwaarder wogen dan de belangen van eiseres, die voornamelijk financieel van aard waren. De uitspraak benadrukt het belang van handhaving van het omgevingsrecht en de noodzaak voor eigenaren om zich bewust te zijn van de planologische situatie van hun percelen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/2628 en 25/2630
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam] , uit Viersen, Duitsland, eiseres

(gemachtigde: mr. J.B.J.G.M. Schyns),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, het college
(gemachtigde: mr. R.A.H.M. van der Steen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die aan eiseres is opgelegd vanwege een aantal bouwwerken die in strijd met het bestemmingsplan op haar percelen aanwezig zijn. Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom. Zij vindt dat de bouwwerken vergund zijn of gedoogd worden. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het college de last onder dwangsom mocht opleggen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Op 17 juni 2024 heeft het college aan eiseres kenbaar gemaakt voornemens te zijn aan haar een last onder dwangsom op te leggen vanwege het overtreden van het omgevingsplan ‘Peel en Maas’ (het omgevingsplan). Op 12 februari 2025 is vervolgens de last onder dwangsom aan eiseres opgelegd. Zij is hiertegen in bezwaar gegaan.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, samen met [naam] en haar tolk, [naam] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1] Partijen hebben ter zitting aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is op 31 mei 2010 eigenaar geworden van twee bospercelen, kadastraal aangeduid als G 2785 en G 2786, in Maasbree, met op perceel G 2786 een bouwwerk, door partijen vakantiewoning genoemd, gevestigd. Zij heeft deze percelen met vakantiewoning gekocht van J. [naam] ( [naam] ) en [naam] . Naast de vakantiewoning waren er ook andere bouwwerken op de percelen aanwezig.
3.1.
Nadat eiseres eigenaar is geworden van de percelen zijn de daarop gevestigde bouwwerken op enig moment in verval geraakt. Op 26 maart 2024 heeft een toezichthouder van het college geconstateerd dat er op de twee percelen een caravan en vier bouwwerken, waarvan drie gebouwen, aanwezig waren. Daarnaast was er door derden materiaal en afval achtergelaten op de percelen. Het college heeft daarom op 17 juni 2024 een brief aan eiseres gestuurd waarin aan werd gegeven dat het college voornemens was om een last onder dwangsom aan haar op te leggen.
3.2.
In reactie op dit voornemen heeft eiseres met de gemachtigde van het college contact opgenomen. Na overleg met de gemachtigde van het college heeft eiseres een bedrijf ingehuurd om al het afval te laten verwijderen.
3.3.
Het college heeft gewacht tot 27 januari 2025 met controleren of de vermeende overtredingen op de percelen gestaakt waren. Tijdens twee hercontroles op 27 januari 2025 en 5 februari 2025 heeft de toezichthouder van het college de volgende vermeende overtredingen geconstateerd:
  • Op perceel G 2786 is een toegangshek aanwezig;
  • Het toegangshek is aan stenen pilaren vastgemaakt;
  • Op perceel G 2786 is een bouwwerk aanwezig met ingestort dak, afgedekt met een blauw zeil.
De overige vermeende overtredingen die in het voornemen van 17 juni 2024 zijn genoemd, zijn beëindigd.
3.4.
Naar aanleiding van de hercontroles heeft het college op 12 februari 2025 een last onder dwangsom aan eiseres opgelegd. Het college heeft eiseres gelast om uiterlijk binnen acht weken na de verzenddatum van het besluit het bouwwerk op perceel G 2786, bekend als de vakantiewoning, het toegangshek en de stenen pilaren te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- ineens. Volgens het college is er sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a en artikel 5.6 van de Omgevingswet.
3.5.
Eiseres is in bezwaar gegaan tegen de last onder dwangsom. Op verzoek heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 9 april 2025.
3.6.
Naar aanleiding van de hoorzitting op 12 mei 2025 heeft de bezwaarschriftencommissie het college op 10 juni 2025 geadviseerd het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en van handhavend optreden af te zien omdat dit, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, onevenredig zou zijn. Het college heeft in het bestreden besluit van 12 augustus 2025 besloten het advies van de bezwaarschriftencommissie niet over te nemen. Het bezwaar van eiseres is ongegrond verklaard. De begunstigingstermijn is in het bestreden besluit verlengd tot zes weken na de bekendmaking van het bestreden besluit.
3.7.
Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft het college ingestemd met een verlenging van de begunstigingstermijn tot na deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat na invoering van de Omgevingswet aan eiseres een last onder dwangsom is opgelegd voor de door het college geconstateerde overtredingen, is de Omgevingswet van toepassing op het handhavingsbesluit.
4.1.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan ‘Peel en Maas’. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. [2] Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ (het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas.
4.2.
Op grond van voornoemd bestemmingsplan geldt ter plaatse van de percelen de bestemming ‘Natuur’. Op grond van artikel 19.2.1 van het bestemmingsplan mogen er geen gebouwen worden gebouwd op gronden met de bestemming ‘Natuur’. Op grond van artikel 19.2.2 mogen er geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd tenzij het gaat om een erfafscheiding met open constructie met een maximale bouwhoogte van 2 meter.
4.3.
Het handelen in strijd met de regels van het omgevingsplan is op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet verboden zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning. Op grond van artikel 5.6 van de Omgevingswet is het niet toegestaan om een bouwwerk dat gebouwd is zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning in stand te laten.
4.4.
Om te beoordelen of het college handhavend mocht optreden, moet er sprake zijn van een overtreding aan de zijde van de als overtreder aangemerkte persoon. Indien er sprake is van een overtreding en eiseres als overtreder aangemerkt kan worden, is het college in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. [3]
Is er sprake van een overtreding?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de vakantiewoning, het toegangshek en de stenen pilaren (hierna: de bouwwerken) op perceel G 2786 aanwezig zijn, dat dit in beginsel in strijd is met het omgevingsplan en dat dit een overtreding oplevert van de artikelen 5.1, eerste lid, onder a en 5.6 van de Omgevingswet. Eiseres is echter van mening dat de aanwezigheid van de bouwwerken vergund is en/of gedoogd wordt door het college, en wel om de volgende redenen:
  • Volgens eiseres heeft [naam] tijdens de verkoop van de bospercelen aan haar verklaard dat er een omgevingsvergunning was afgegeven voor het bouwen van de vakantiewoning;
  • Eiseres verwijst naar een brief van de voormalige gemeente Maasbree van 5 april 1973 waarin werd aangegeven dat er geen bouwvergunning kon worden verleend voor de bebouwing op de percelen, maar dat een door brand verwoest gedeelte van de vakantiewoning wel mocht worden hersteld. Eiseres verwijst ook naar een melding van een toezichthouder van de gemeente Maasbree die de aanwezigheid van de vakantiewoning op perceel G 2786 in 1996 constateerde. Ondanks deze melding en de brief van 5 april 1973 heeft het college geen actie ondernomen, waardoor de bouwwerken ruim 50 jaar ongestoord op perceel G 2786 hebben gestaan;
  • Volgens eiseres heeft zij de percelen gekocht van de Belastingdienst. De Belastingdienst was volgens eiseres op de hoogte van de illegaliteit van de bouwwerken op de percelen, of had dat moeten zijn;
  • Eiseres heeft altijd aanslagen ontvangen van de lokale heffingen, waaronder de onroerendezaakbelasting voor de vakantiewoning. Deze aanslagen zouden volgens haar niet opgelegd worden als het college van mening was dat de bouwwerken niet aanwezig mochten zijn.
6. Volgens het college is er nooit een omgevingsvergunning verleend voor de bouwwerken en is hiervoor ook nooit een gedoogbeschikking afgegeven. Dat er tweemaal niet handhavend op is getreden ten aanzien van de aanwezigheid van de bouwwerken (in 1973 en 1996), maakt volgens het college niet dat er sprake is van een gedoogconstructie.
7. De voorzieningenrechter constateert dat eiseres geen omgevingsvergunning of gedoogbeslissing heeft overgelegd waaruit blijkt dat het plaatsen van de bouwwerken vergund is of gedoogd wordt. De voorzieningenrechter heeft ook geen reden om te twijfelen aan het standpunt van het college dat een dergelijk besluit niet bestaat. Er kan dus alleen nog sprake zijn van gedogen door het college zonder specifieke beschikking. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Het (ten minste) tweemaal niet handhavend optreden door (een voorganger van) het college kan weliswaar een rol spelen in het beoordelen van de evenredigheid van de handhaving, maar stilzitten van het bestuursorgaan betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat er daarom sprake is van een legale of gedoogde situatie op de percelen. In de brief van de gemeente Maasbree uit 1973 staat bovendien duidelijk dat de bebouwing destijds ook al niet vergund kon worden. Verder zijn ook de verwachtingen die eiseres stelt te hebben gehad bij aankoop van de percelen in 2010 en de conclusies die zij daaraan heeft verbonden niet relevant voor de vraag of het college een illegale situatie gedoogt. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de bouwwerken in strijd met het omgevingsplan aanwezig zijn en dat er sprake is van een overtreding van de artikelen 5.1, eerste lid, onder a en 5.6 van de Omgevingswet.
Is eiseres als overtreder aan te merken?
8. Op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die een overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), geldt verder als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom dat de overtreder het in zijn macht moet hebben om aan de illegale situatie een einde te maken. Daarvoor is nodig dat de overtreder juridisch en/of feitelijk in staat moet worden geacht om aan de lastgeving te voldoen.
9. Eiseres is eigenaar van perceel G 2786 en de daarop aanwezige bouwwerken. Zij heeft het in haar macht om aan de illegale situatie een einde te maken door de bouwwerken te (laten) verwijderen. Eiseres heeft dit ook niet weersproken. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college eiseres terecht als overtreder heeft aangemerkt.
Is handhavend optreden evenredig?
10. Zoals hiervoor overwogen is er sprake van een overtreding waarvoor eiseres als overtreder aangemerkt kan worden. Het college is in beginsel verplicht om handhavend op te treden tegen de overtreding. Van handhavend optreden kan alleen worden afgezien indien dit onevenredig is, omdat er concreet zicht op legalisatie is of omdat handhavend optreden anderszins onevenredig is. Op voorhand overweegt de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, omdat het college heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het legaliseren of gedogen van de overtreding. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. Het gaat eiseres om de overige bijzondere omstandigheden van het geval die volgens haar zouden maken dat handhaving onevenredig is.
11. Volgens eiseres had het college van handhavend optreden af moeten zien, omdat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat de situatie op perceel G 2786 gedoogd werd of vergund was. Daarnaast is zij van mening dat zij ongelijk behandeld wordt gelet op gevallen in de omgeving die volgens haar vergelijkbaar zijn, waar het college niet handhavend optreedt. Tot slot vindt eiseres dat het college de belangenafweging ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen, mede gelet op het advies van de bezwaarschriftencommissie.
Kan eiseres een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
12. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van het al dan niet bestaan van een omgevingsvergunning of gedoogbeschikking, waardoor er volgens haar geen sprake is van een overtreding, hebben er volgens haar ook toe geleid dat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat het college niet handhavend op zou treden tegen de bouwwerken. [4]
13. Volgens het college baseert eiseres zich vooral op verklaringen van [naam] , niet op mededelingen die van het college afkomstig zijn. Het college is van mening dat er geen sprake is van een gedoogconstructie of een toezegging waaraan eiseres gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen.
14. De Afdeling hanteert bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel een vast stappenplan. [5] De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop eiseres zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating en/of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
14.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college op geen enkel moment (rechtstreeks) aan eiseres toegezegd dat de bebouwing op perceel G 2786 gedoogd werd of vergund was. Uit de brief van 1973 maakt de voorzieningenrechter op dat de vakantiewoning, waarvoor geen bouwvergunning verleend kon worden, slechts in dezelfde staat mocht worden herbouwd als waarin de woning voor de brand verkeerde. Of dat gebeurd is, is onduidelijk. In ieder geval kan eiseres daaraan niet het vertrouwen ontlenen dat zij de bouwwerken op het perceel, waarvan tussen partijen niet in geschil is dat deze de afgelopen jaren in verval zijn geraakt, daar aanwezig mag hebben, mag verbouwen of mag gebruiken. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat er geen toezegging is gedaan door het college waar eiseres het gerechtvaardigde vertrouwen aan mocht ontlenen dat de situatie op perceel G 2786 gedoogd werd of vergund was. Dat voor de vakantiewoning onder andere namens het college onroerendezaakbelasting geheven wordt, doet hier niet aan af. Bij het opleggen van de lokale heffingen wordt niet gekeken naar de planologische situatie op de percelen. Ook daar kan eiseres niet het gerechtvaardigde vertrouwen aan ontlenen dat het college de aanwezigheid van de bouwwerken zou gedogen of dat er niet handhavend opgetreden zou worden. [6]
Kan eiseres een geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel?
15. Eiseres verwijst naar andere recreatiewoningen, gevestigd aan de [adres] in Maasbree. Volgens haar wordt de aanwezigheid van deze recreatiewoningen al jarenlang gedoogd.
16. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat er sprake is van een vergelijkbaar geval dat ongelijk wordt behandeld, waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Op de recreatiewoningen aan de [adres] is de bestemming ‘recreatie – verblijfsrecreatie’ van toepassing. Daarnaast worden deze recreatiewoningen in het bestemmingsplan aangeduid als ‘recreatiewoning’. Op de percelen van eiseres rust geen recreatieve bestemming en er is ook geen recreatiewoning positief bestemd. Er is alleen al daarom geen sprake van vergelijkbare gevallen, waardoor eiseres naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen geslaagd beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.
De belangenafweging
17. Los van het voorgaande beoordeelt de voorzieningenrechter of er bijzondere redenen zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden af had moeten zien, en of de belangen van het college bij handhavend optreden zwaarder wegen dan de belangen van eiseres om de bouwwerken aanwezig te mogen hebben op perceel G 2786.
18. De onder 5 genoemde omstandigheden vormen volgens eiseres bijzondere redenen om van handhavend optreden af te zien, aangevuld op zitting met de uitdrukkelijk wens van eiseres om de vakantiewoning ingrijpend te verbouwen/renoveren en het perceel vervolgens voor recreatieve doeleinden te gaan gebruiken. De bezwaarschriftencommissie heeft vanwege deze omstandigheden het college ook geadviseerd om niet handhavend op te treden.
19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college terecht in het bestreden besluit onvoldoende redenen heeft gezien om af te zien van handhaving wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter om te beginnen dat eiseres niet haar hoofdverblijf heeft in de vakantiewoning en zij dus niet op straat komt te staan als gevolg van het voldoen aan de last. Zij heeft de bouwwerken bovendien jarenlang niet gebruikt, wat mede de reden is dat ze in verval zijn geraakt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het belang van eiseres bij het aanwezig mogen hebben van de bouwwerken in de kern daarom louter financieel. Haar belang kan enkel zijn gelegen in het niet hoeven afbreken van de bouwwerken en de kosten die dat met zich brengt. Aan haar wens om de vakantiewoning op te knappen en weer in gebruik te nemen heeft het college terecht weinig waarde gehecht of hoeven te hechten in het kader van het bestreden besluit. Immers, de voorzieningenrechter is van oordeel dat dit belang in directe tegenspraak is met de sinds de koop door eiseres geldende planologische situatie. Van die situatie had eiseres op de hoogte moeten zijn. Uit de leveringsakte van 31 mei 2010 blijkt namelijk dat eiseres toen ze de bospercelen kocht ook wist of had kunnen weten dat de bouwwerken illegaal aanwezig waren. In die leveringsakte wordt specifiek melding gemaakt van het feit dat voor de vakantiewoning geen vergunning is verleend. Dat eiseres zegt destijds en tot op heden zelf geen onderzoek te hebben gedaan naar de planologische situatie, maar volledig vertrouwt op de verklaringen van de verkoper, moet voor haar rekening blijven.
19.1.
Ook het tijdsverloop tussen de brief van de gemeente Maasbree uit 1973 en het voornemen om handhavend op te treden van het college van 17 juni 2024 zorgt er niet voor dat sprake is van bijzondere omstandigheden om niet te handhaven. Daarover merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat enkel tijdsverloop onvoldoende is om van handhavend optreden af te zien, zelfs in het geval dat het college op de hoogte was van de overtreding. [7] Daarnaast is er geenszins gebleken dat, zelfs al zouden de bouwwerken vergund zijn of gedoogd worden, de bouwwerken vervolgens ook gebruikt mogen worden. Het standpunt van eiseres dat het college ruim 50 jaar niet handhavend heeft opgetreden en daarom nu niet meer tot handhaving over mocht gaan, volgt de voorzieningenrechter daarom niet. Ook de door eiseres ontvangen aanslagen van de lokale heffingen maken dit oordeel niet anders. Zoals onder 14.1 overwogen wordt er bij het heffen van lokale belastingen niet gekeken naar de planologisch-juridische situatie. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het college van handhavend optreden af zou zien. [8]
19.2.
Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt als het gaat om bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien terecht in het nadeel van eiseres is uitgevallen. Dat betekent dat het college mocht afwijken van het advies van de bezwaarschriftencommissie en dit voldoende gemotiveerd heeft. Het college mocht daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter handhavend optreden.
Is de begunstigingstermijn te kort?
20. Tot slot beoordeelt de voorzieningenrechter of de begunstigingstermijn in het bestreden besluit lang genoeg is. Vanaf het moment dat eiseres vernam dat het college voornemens was om aan haar een last onder dwangsom op te leggen tot de datum van deze uitspraak is ongeveer anderhalf jaar verstreken. In die tijd heeft eiseres een bedrijf aangeschreven en bereid gevonden om al het afval weg te halen en het terrein dusdanig op te ruimen dat nu enkel de vakantiewoning, het hekwerk en de toegangspoort nog in geschil zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres ruim genoeg tijd heeft gehad om de rest van de bouwwerken op de percelen te verwijderen. De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet te kort.

Conclusie en gevolgen

21. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college terecht aan eiseres een last onder dwangsom heeft opgelegd om de overtreding op perceel G 2786 te doen beëindigen. Het beroep van eiseres is ongegrond. Zij krijgt daarom haar griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep van eiseres beslist, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 18 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 18 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecliSearch?id=ECLI:NL:RVS:2024:844).
4.Zie onder 5.
5.Zie hiervoor de uitspraken van de Afdeling van 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:714 en 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735.
6.In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4631, onder 5.2.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829, onder 5.3.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4631, onder 5.2