ECLI:NL:RVS:2024:844
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- J. Hoekstra
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhavend optreden tegen PAS-melders zonder natuurvergunning
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed op 28 februari 2024 uitspraak in hoger beroep over verzoeken om handhavend optreden tegen PAS-melders, waaronder een vleesverwerkingsbedrijf in IJsselstein. Deze bedrijven hadden activiteiten gemeld onder het Programma Aanpak Stikstof (PAS) die destijds waren uitgezonderd van vergunningplicht, maar na de PAS-uitspraak van 2019 alsnog vergunningplichtig zijn. MOB had handhaving gevraagd omdat deze activiteiten zonder natuurvergunning plaatsvinden en mogelijk Natura 2000-gebieden schaden.
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht had het verzoek tot handhaving afgewezen met verwijzing naar een landelijke handhavingsstrategie en het lopende legalisatieprogramma op grond van artikel 1.13a van de Wet natuurbescherming (Wnb). De rechtbank oordeelde dat sprake was van overtreding en dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet handhavend optrad. De Afdeling bevestigt dit oordeel en benadrukt dat een concreet zicht op legalisatie in de regel vereist is, doorgaans in de vorm van een ontvankelijke vergunningaanvraag, en dat het legalisatieprogramma en eerdere toezeggingen onvoldoende zekerheid bieden.
De Afdeling erkent dat bijzondere omstandigheden kunnen bestaan, zoals de belangen van PAS-melders, de rechtszekerheid en het legalisatietraject, die tijdelijk afzien van handhaving kunnen rechtvaardigen tot uiterlijk medio 2025. Dit is echter alleen mogelijk indien het college een zorgvuldige belangenafweging maakt waarin ook het natuurbelang adequaat wordt betrokken. Het college heeft dit nagelaten, waardoor het besluit van 22 februari 2022 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan MOB.
Uitkomst: Het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht tot afzien van handhavend optreden wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.