Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[gedaagde sub 1] ,
2.2. [gedaagde sub 2] ,
1.Het verdere verloop van de procedure
2.Het geschil
€ 427.193,98 in mindering strekt een bedrag van € 159.581,71 (zijn aandeel in de banksaldi per 30 maart 2022) en in mindering strekt € 154.475,76 (zijn overbedelingsvordering in de nalatenschap van moeder), zodat door [eiser] (na toedeling van het pand in [woonplaats 1] en de overige activa zoals vermeld in het vonnis van 30 maart 2022) bij levering van de woning aan de [adres 1] aan [eiser] nog een totaalbedrag van € 113.136,51 aan [gedaagde sub 1] en [naam] verschuldigd is, derhalve aan [gedaagde sub 1] een bedrag van € 56.568,25 en aan [naam] eveneens een bedrag van € 56.568,25, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen;
C/03/172749 / HA ZA 12-264 duidelijk werd dat geld was onttrokken door [gedaagde sub 1] en [naam] . [gedaagde sub 1] en [naam] hebben dit verzwegen, aldus nog steeds [eiser] .
3.De verdere beoordeling
2010:’ (tweede ongenummerde pagina, achtste alinea, van de aantekeningen van mr. Jongen) tot ‘
Tot slot:’ (midden laatste ongenummerde pagina van voornoemde aantekeningen van mr. Jongen).
4.De beslissing
12 februari 2025voor het nemen van een akte door [eiser] en [gedaagde sub 2] over hetgeen is vermeld in de rov. 3.9.,