Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:1986

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 maart 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
ROE 25 / 174
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:20 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 45a AdvocatenwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom van de deken

Verzoeker heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen door de deken wegens het niet tijdig indienen van de Kantooropgave 2024. Nadat verzoeker alsnog de opgave heeft ingediend, verzocht hij om een voorlopige voorziening tegen deze last. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, mede omdat de last reeds was nagekomen.

Verzoeker stelde dat hij geschorst was in zijn advocatenpraktijk en dreigde te worden geschrapt van het tableau, waardoor hij nooit meer als advocaat zou mogen optreden. Hij wilde duidelijkheid over de bevoegdheid van de deken om de Kantooropgave op te vragen en een last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter vond dit betoog onvoldoende voor spoedeisendheid en sloot aan bij een eerdere uitspraak.

De voorzieningenrechter oordeelde voorts dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was. Er waren twijfels over de argumenten van verzoeker, maar geen reden om het besluit te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling. Het verzoek van de deken om proceskosten wegens misbruik van procesrecht werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/174

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2025

in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de Deken van de Orde van Advocaten, de deken.

Inleiding

1. Met het besluit van 4 november 2024 (het primaire besluit) heeft de deken aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, omdat hij – kort gezegd – niet (tijdig) de Kantooropgave 2024 had ingediend. Deze last houdt in dat verzoeker op grond van artikel 5:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht is binnen twee weken de Kantooropgave 2024 in te dienen. Verzoeker verbeurt een dwangsom van € 500,- voor elke week dat hij niet aan zijn verplichting voldoet, met een maximum van € 5.000,-.
1.1.
Op 2 december 2024 heeft verzoeker alsnog aan de last voldaan door de gevraagde Kantooropgave 2024 bij de deken in te dienen.
1.2.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit alsook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen [1] . Bij uitspraak van 16 december 2024 [2] heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.
1.3.
Met het besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de deken, met in achtneming van het advies van de Commissie bezwaarschriften van de Orde van advocaten in het arrondissement Limburg (de bezwaarschriftencommissie) van 16 december 2024, verzoekers bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.4.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.5.
De deken heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en mr. E.J.M. Rosier, in zijn hoedanigheid van deken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Het gaat hier om een verzoek om voorlopige voorziening hangende de beroepsfase. Dat betekent dat ook de mogelijkheid bestaat om kort te sluiten op grond van artikel 8:86 van Pro de Awb. Dat houdt in dat er niet alleen op het verzoek om een voorlopige voorziening wordt beslist, maar dat ook tegelijk wordt beslist op het beroep. Kortsluiten is mogelijk als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het beroep. Als de voorzieningenrechter tot de conclusie komt dat er geen spoedeisend belang is, zal er niet gelijktijdig op het beroep worden beslist. Als de vereiste spoed ontbreekt, zal er ook alleen worden beoordeeld of het besluit evident onrechtmatig is. Het moet dan gaan om een situatie waarin zonder diepgravend onderzoek blijkt dat het bestreden besluit geen stand kan houden.
Spoedeisend belang
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker, door alsnog de Kantooropgave 2024 in te dienen bij de deken, aan de hem bij het bestreden besluit opgelegde last voldaan. Van een spoedeisend belang tot schorsing van het bestreden besluit is daarom geen sprake.
3.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat hij (langdurig) geschorst is in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk vanwege het feit dat hij niet althans te laat de door de deken verzochte financiële gegevens (kantooropgave) had aangeleverd. Verzoeker stelt dat hij nu door deze gang van zaken dreigt te worden geschrapt van het tableau en dus nooit meer als advocaat mag optreden. Verzoeker wil daarom een uitspraak van de voorzieningenrechter hebben over de vraag of de deken in het kader van zijn toezichthoudende taak [3] bevoegd is om de Kantooropgave 2024 op te vragen en in aansluiting daarop of de deken bevoegd is een last onder dwangsom op te leggen.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker ook aan het hiervoor genoemde betoog geen spoedeisend belang kan ontlenen. De voorzieningenrechter verwijst naar en sluit zich aan bij de uitspraak van 16 december 2024 van de vorige voorzieningenrechter [4] van deze rechtbank. De huidige situatie van verzoeker en wat hij nu heeft aangevoerd, schetst namelijk geen wezenlijk ander beeld. Zo is de genomen tuchtrechtelijke maatregel van schorsing niet alleen opgelegd, omdat verzoeker niet (tijdig) zijn kantooropgave heeft gedaan in vorige jaren, maar ook door ander verwijtbaar handelen door verzoeker. Voor zover verzoeker met het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening wil voorkomen dat de opgevraagde Kantooropgave 2024 wordt gebruikt in de nog lopende tuchtrechtelijke procedure, heeft de deken in het verweerschrift vermeld en op de zitting toegelicht dat de Kantooropgave 2024 (waar het in deze zaak over gaat) niet ziet op deze tuchtrechtelijke procedure tegen verzoeker en hierin geen rol van betekenis speelt. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan het standpunt van de deken te twijfelen en is er dan ook geen spoedeisend belang in deze zaak.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
4. Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van onverwijlde spoed, ziet zij zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend.
4.1.
De voorzieningenrechter heeft ernstige twijfels over het standpunt van verzoeker dat de deken in het kader van zijn toezichthoudende taak geen kantooropgave zou mogen opvragen bij advocaten, de last niet duidelijk zou zijn geformuleerd en er schending zou zijn met het nemo tenetur beginsel en artikel 8 van Pro het EVRM [5] . Verder was de deken als toezichthouder volgens verzoeker in dit geval ook niet bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen, maar de voorzieningenrechter vindt dit niet evident.
Conclusie
5. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is bij een voorlopige voorziening. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in deze uitspraak niet ook zal beslissen op het beroep op grond van artikel 8:86, eerste lid van de Awb. Verder is van een evident onrechtmatig besluit geen sprake.
5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
5.2.
Het verzoek van de deken om verzoeker te veroordelen in de proceskosten wegens misbruik van procesrecht wijst de voorzieningenrechter af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan geen sprake. Dat verzoeker wederom een voorlopige voorziening heeft verzocht op grond van dezelfde feiten en vergelijkbare argumenten is hiervoor onvoldoende.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2025
griffier
de voorzieningenrechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 maart 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Deze voorlopige voorziening is bekend onder zaaknummer ROE 24/5017.
3.Deze toezichthoudende taak is aan de deken toegewezen op grond van artikel 45a van de Advocatenwet.
4.Zie noot 2.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.