ECLI:NL:RBLIM:2025:1986
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom van de deken
Verzoeker heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen door de deken wegens het niet tijdig indienen van de Kantooropgave 2024. Nadat verzoeker alsnog de opgave heeft ingediend, verzocht hij om een voorlopige voorziening tegen deze last. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang, mede omdat de last reeds was nagekomen.
Verzoeker stelde dat hij geschorst was in zijn advocatenpraktijk en dreigde te worden geschrapt van het tableau, waardoor hij nooit meer als advocaat zou mogen optreden. Hij wilde duidelijkheid over de bevoegdheid van de deken om de Kantooropgave op te vragen en een last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter vond dit betoog onvoldoende voor spoedeisendheid en sloot aan bij een eerdere uitspraak.
De voorzieningenrechter oordeelde voorts dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was. Er waren twijfels over de argumenten van verzoeker, maar geen reden om het besluit te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling. Het verzoek van de deken om proceskosten wegens misbruik van procesrecht werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.