Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:3287

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 april 2025
Publicatiedatum
8 april 2025
Zaaknummer
C/03/324791 / FA RK 23-4510
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:32 BWArt. 10:92 BWArt. 10:100 BWArt. 10:101 BWArt. 10:102 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring voor recht dat man juridische vader is van kinderen uit Irakese bigame relatie

De rechtbank Limburg behandelde een verzoek tot verklaring voor recht dat de man de juridische vader is van zes kinderen geboren uit een huwelijk tussen de man en de moeder in Irak. De man was ten tijde van de geboortes ook gehuwd met een andere vrouw, waardoor het tweede huwelijk in Nederland aanvankelijk niet werd erkend vanwege bigamie. De man heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit en het eerdere huwelijk is ontbonden.

Verzoekers stelden dat de man naast de biologische vader ook de juridische vader is van de kinderen, en dat Irakees recht van toepassing is. De rechtbank oordeelde dat de zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de erkenningsregels voor in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen (art. 10:100 en Pro 10:101 BW).

De rechtbank concludeerde dat het bigame karakter van het huwelijk na ontbinding van het eerdere huwelijk niet langer aan erkenning in de weg staat. De in Irak tot stand gekomen afstammingsrelaties zijn niet in strijd met de Nederlandse openbare orde en dienen te worden erkend. Daarom verklaarde de rechtbank voor recht dat de man de juridische vader is van de kinderen en wees het overige verzoek af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de man de juridische vader is van de in Irak geboren kinderen uit zijn huwelijk met de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 7 april 2025
Zaaknummer: C/03/324791 / FA RK 23-4510
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven inzake:
[jongmeerderjarige 1] ,geboren op [geboortedatum 1] 2004 in [geboorteplaats] ,
verder te noemen: [jongmeerderjarige 1] ;
[jongmeerderjarige 2] ,geboren op [geboortedatum 2] 2005 in [geboorteplaats] ,
verder te noemen: [jongmeerderjarige 2] ;
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 3] 2008 in [geboorteplaats] ,
verder te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 4] 2009 in [geboorteplaats] ,
verder te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 5] 2012 in [geboorteplaats] ,
verder te noemen: [minderjarige 3] ;
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 6] 2014 in [geboorteplaats] ,
verder te noemen: [minderjarige 4] ,
samen verder ook te noemen: verzoekers,
allen wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. I. Wudka, kantoorhoudend in Maastricht.
Als belanghebbenden merkt de rechtbank aan:
[de moeder] ,
verder te noemen: de moeder
wonend in [woonplaats 1] ;
en:
[de man],
verder te noemen: de man,
wonend in [woonplaats 2] .

1.Verloop van de procedure

Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van verzoekers, ingekomen op 22 november 2023;
- de brieven met bijlagen van verzoekers van 3 januari 2024, 30 januari 2024, 27 februari 2024, 21 maart 2024 en 13 juni 2024;
- de mondelinge behandeling van 26 september 2024, waar zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door mr. Wudka en een tolk;
- de brief met bijlage van verzoekers van 26 november 2024.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de man zijn op 5 juli 2002 in [geboorteplaats] met elkaar gehuwd, dit huwelijk duurt nog altijd voort.
Uit dat huwelijk zijn [jongmeerderjarige 1] , [jongmeerderjarige 2] , [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geboren.
2.2.
De man was ten tijde van de geboortes van verzoekers ook nog gehuwd met [naam] . Dit huwelijk is op 11 juni 2021 door echtscheiding ontbonden.
2.3.
Verzoekers en de moeder hebben de Irakese nationaliteit. De man had aanvankelijk de Irakese nationaliteit, maar heeft blijkens de overgelegde verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap op 30 mei 2002 de Nederlandse nationaliteit verkregen en sindsdien, naar hij ter zitting heeft gesteld, enkel de Nederlandse nationaliteit gehad.

3.De verzoeken

3.1.
Verzoekers verzoeken, na aanvulling van het petitum en naar de rechtbank begrijpt:
te verklaren voor recht dat de man de juridische vader van verzoekers is;
te bepalen dat Irakees recht van toepassing is conform artikel 10:92 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welk recht het vaderschap van de man niet in de weg staat.
3.2.
Ter onderbouwing van de verzoeken hebben verzoekers in het verzoekschrift en de brief van verzoekers -kort gezegd- gesteld dat zij naast de biologische kinderen van de man ook zijn juridische kinderen zijn. Zij verzoeken vast te stellen dat de man de juridische vader van verzoekers is en dat zij zijn juridische kinderen zijn. De moeder en de man waren ten tijde van de geboortes van verzoekers weliswaar met elkaar getrouwd, maar omdat de man destijds ook nog met een andere vrouw was getrouwd werd zijn huwelijk met de moeder in Nederland niet erkend. Gevolg hiervan is dat de man in Nederland niet als hun juridische vader wordt gezien, zo stellen zij.

4.De beoordeling

4.1.
Vanwege het internationale karakter van de onderhavige zaak dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter (in internationale zin) bevoegdheid toekomt ter zake het verzoek.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef Pro en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rechtsmacht toekomt, omdat de man in Nederland woonplaats heeft.
4.3.
De IPR-regels inzake afstamming zijn opgenomen in Titel 5 van Boek 10 BW, in werking getreden op 1 januari 2012. In artikel 10:92-10:99 BW zijn de conflictregels voor het bepalen van het toepasselijke recht op de afstamming te vinden. In artikel 10:100 BW Pro is de erkenning geregeld van een in het buitenland tot stand gekomen rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd. In artikel 10:101 BW Pro is de erkenning geregeld van in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd en die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. De bepalingen van Titel 5 van Boek 10 BW komen overeen met de bepalingen van de Wet conflictenrecht afstamming (Wca), welke wet heeft gegolden van 1 mei 2003 tot 1 januari 2012. Artikel 10:102 BW Pro bepaalt dat de in Boek 10 BW opgenomen bepalingen inzake afstamming van toepassing zijn op rechtsbetrekkingen die na 1 januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd, alsmede op de erkenning van na 1 januari 2003 buitenslands vastgestelde of gewijzigde rechtsbetrekkingen. Nu ervan mag worden uitgegaan dat geen verschil bestaat tussen het thans geldende IPR-afstammingsrecht en het ongeschreven IPR-afstammingsrecht zoals dit heeft gegolden vóór
1 januari 2003, wordt hierna uitsluitend verwezen naar de in Boek 10 BW opgenomen bepalingen inzake het IPR-afstammingsrecht.
4.4.
Anders dan ter zitting aan de orde is geweest, dient deze zaak te worden beoordeeld aan de hand van artikel 10:100 en Pro 10:101 en niet aan de hand van 10:92 BW. Dit omdat verzoekers buiten Nederland zijn geboren. In dat geval rijst de vraag of de in het buitenland tot stand gekomen afstammingsbanden tussen de man met wie de moeder is gehuwd en verzoekers, in Nederland kunnen worden erkend. De voorwaarden voor erkenning van een in het buitenland tot stand gekomen afstammingsband worden dan geregeld door artikel 10:100 BW Pro en 10:101 BW. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het tweede verzoek van verzoekers zal afwijzen.
4.5.
Het eerste verzoek betreffende de verklaring voor recht komt wel voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank overweegt daartoe, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:942) en de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2017 (ECLI:NL: RBDHA:2017:10088), als volgt.
Uit de door verzoekers overgelegde gegevens, onder meer het Irakese afschrift van de gezinsregistratie en de Irakese uittreksels van de burgerlijke stand, en uit hun schriftelijke verklaring en die van de man ter zitting, blijkt dat verzoekers staande het huwelijk van de man en de moeder zijn geboren. Naar Irakees recht is de vader van een kind de echtgenoot van de vrouw uit wie het kind geboren is en is een kind wettig als het is geboren uit een getrouwde vrouw en haar echtgenoot. Gelet hierop is de man naar Irakees recht de juridische vader van verzoekers en zijn zij zijn wettige kinderen. Overigens blijkt uit de door verzoekers overgelegde deskundigenrapportages van Verilabs dat de man ook de biologische vader van verzoekers is.
Beoordeeld moet worden of deze in Irak tot stand gekomen afstammingsrelaties aan de hand van artikel 10:101 BW Pro in samenhang met artikel 10:100 BW Pro in Nederland kunnen worden erkend. Op grond van deze bepalingen – voor zover van toepassing – worden in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd – in deze zaak de naar Irakees recht tot stand gekomen afstammingsrelaties tussen de man en verzoekers – erkend, tenzij
  • aan de rechtsfeiten of de rechtshandelingen geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
  • de erkenning van de rechtsfeiten of de rechtshandeling onverenigbaar is met de
-Nederlandse- openbare orde.
Het toetsen van de geldigheid van het aan de afstamming ten grondslag liggende huwelijk is weliswaar geen zelfstandig vereiste bij het toepassen van de erkenningsregel van artikel 10:101 BW Pro, maar dient wel aan de orde te komen in het kader van de openbare orde-toets van artikel 10:100 lid 1 onderdeel Pro c BW. Dat betekent dat indien een in het buitenland ontstane familierechtelijke betrekking voortvloeit uit een huwelijk waaraan in Nederland erkenning wordt onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van artikel 10:32 BW Pro, ook de erkenning van die familierechtelijke betrekking afstuit op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:100 lid 1 onderdeel Pro c BW.
In deze zaak geldt dat het huwelijk waaruit verzoekers zijn geboren aanvankelijk niet kon worden erkend in Nederland op grond van artikel 10:32 aanhef Pro en onder a BW, omdat de man de Nederlandse nationaliteit bezat en het een bigaam huwelijk betrof. Maar als het eerder gesloten huwelijk is ontbonden of nietig verklaard, stuit de erkenning van het tweede huwelijk niet langer af op de openbare orde. Vanaf het moment dat het eerdere huwelijk van de man werd ontbonden, te weten op 11 juni 2021, komt aan het huwelijk tussen de man en de moeder, uit welk huwelijk verzoekers zijn geboren, het bigame karakter te ontvallen en stuit de erkenning van dat huwelijk niet langer af op de weigeringsgrond van artikel 10:32 aanhef Pro en onder a BW. Dit betekent dat het huwelijk tussen de man en de moeder voor erkenning in aanmerking komt en dat daarom van strijd met de openbare orde geen sprake (meer) is. Dit heeft tot gevolg dat de in Irak tot stand gekomen rechtsfeiten, waarbij familierechtelijke betrekkingen tussen de man en verzoekers zijn ontstaan welke zijn neergelegd in de overgelegde Irakese stukken van de burgerlijke stand, niet afstuiten op de openbare orde in de zin van artikel 10:101 lid 2 BW Pro juncto 10:100 lid 1 onderdeel c BW. Deze rechtsfeiten dienen dan ook, nu de rechtbank ook niet is gebleken van andere weigeringsgronden, in Nederland te worden erkend. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook voor recht verklaren dat de man de juridisch vader van verzoekers is.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat de man de juridisch vader van verzoekers is;
5.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M.L.C. Vos-Limpens, griffier, op 7 april 2025.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!