Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
2.De feiten
3.De wederzijdse verzoeken van partijen
- de verdeling ten overstaan van een notaris van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap te bevelen met benoeming van een door de rechtbank te benoemen notaris;
- kosten rechtens.
4.De beoordeling
5 maart 2024. Partijen zij het erover eens dat die datum geldt als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap.
“(..)De huidige door partijen gezamenlijk bewoonde woning aan de [adres] te [woonplaats 2] is eigendom van de partij [de vrouw] subs 2. Partijen wensen dat in de onderlinge verhouding de woning met de hypothecaire geldlening(en) en eventueel opgebouwd spaartegoed vanaf heden gemeenschappelijk zijn. Partijen verklaren dat de huidige overwaarde van de gezamenlijk bewoonde woning tussen partijen is vastgesteld en dat deze overwaarde middels een vordering vermeld op de aan deze akte vastgehechte lijst is zeker gesteld.
“Deze overeenkomst wordt ontbonden: (..) e. bij het trouwen of het aangaan van een geregistreerd partnerschap met elkaar of met een ander (..)”.
“gemelde vordering is opeisbaar bij verbreken van de samenwoning of overlijden van één der partijen”.
“De huidige door partijen gezamenlijk bewoonde woning aan de [adres] te [woonplaats 2] is eigendom van de partij [de vrouw] subs 2”. De man is ook na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst geen (juridisch)
De voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers’. Omdat de woning nooit bij notariële akte aan de man is geleverd, noch is ingeschreven in de openbare registers is de man tijdens de samenleving geen (juridisch) (mede-)eigenaar van de woning geworden. Tijdens de samenleving is er derhalve ook geen goederenrechtelijke gemeenschap (eenvoudige gemeenschap op grond van artikel 3:166 BW Pro) tussen partijen met betrekking tot de woning ontstaan.
Partijen wensen dat in de onderlinge verhouding de woning met de hypothecaire geldlening(en) en eventueel opgebouwd spaartegoed vanaf heden gemeenschappelijk zijn.”Een taalkundige uitleg van deze bepaling past eerder bij de uitleg die de man over de bedoeling van deze bepaling van het samenlevingscontract heeft gegeven, te weten om hem het gevoel te geven dat hij er ook bij hoorde en bij de feitelijke situatie dat alleen de vrouw eigenaar werd van de woning. Het is de rechtbank, ook niet na vragen aan de vrouw daarover tijdens de mondelinge behandeling, duidelijk geworden waarom de vrouw met deze bepaling uit het samenlevingscontract, dat bovendien op initiatief van de vrouw is gesloten, heeft ingestemd als zij niet wilde dat de woning in de onderlinge verhouding tussen partijen als gemeenschappelijk zou worden gezien. Dat geldt ook voor het bepaalde in lid 2 van artikel 6 van Pro het samenlevingscontract, waarin partijen overeenkomen dat “
alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de eigendom van die woning daaronder begrepen de aflossingen op de hierna in lid 4 bedoelde hypothecaire lening, komen voor rekening van partijen, terwijl ook de voor- of nadelige gevolgen van waardeverandering voor beider rekening komen.Hoewel de vrouw heeft gesteld dat zij de aflossing en eigenaarslasten van de woning van haar eigen privérekening heeft betaald en de man daar niet aan heeft meebetaald, hetgeen door de man overigens wordt betwist, doet dit niets af aan de aanvankelijke bedoeling van partijen. Partijen komen immers overeen dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor alle met de woning verbonden investeringen, kosten en lasten, en ook de gevolgen dragen van eventuele waardeveranderingen van de woning. Dit duidt eveneens op een bedoeling van partijen dat zij de woning vanaf dat moment in hun onderlinge verhouding als gemeenschappelijk beschouwen. De rechtbank wijst tot slot ook op de staat van aanbrengsten, behorend bij het samenlevingscontract waarin is bepaald dat:
“door de heer [de man] wordt aangebracht een vordering op mevrouw [de vrouw] ter grootte van vierduizend vijfhonderd euro (€ 4.500,00), zijnde de helft van de meerinbreng in de gezamenlijk bewoonde woning [adres] te [woonplaats 2] , ten name van partij [de vrouw] , ad negenduizend euro (€ 9.000,00), welke woning met daaraan verbonden geldlening en spaartegoed vanaf heden geacht wordt gemeenschappelijk te zijn.”Ook uit de tekst van de staat van aanbrengsten volgt dat partijen de bedoeling hadden dat de woning (in hun onderlinge verhouding) gemeenschappelijk zou zijn. Het is ook niet goed voorstelbaar waarom de man genoegen zou nemen met de helft van zijn inleg, wanneer de relatie tussen partijen zou worden verbroken, als de woning enkel aan de vrouw toebehoorde.
“Ingeval de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, kan de rechter als nevenvoorziening de navolgende voorzieningen treffen:
Als de partij die de woning niet in eigendom heeft, uit eigen middelen heeft bijgedragen in de financiering van deze woning, ontstaat er een vordering op de andere partij ter grootte van die bijdrage”.De vrouw heeft primair gesteld dat een eventuele vorderingen van de man op grond van door hem betaalde verbouwingskosten in 2015/2016 uiterlijk in 2021 zijn verjaard en subsidiair dat deze vordering in elk geval is verjaard binnen vijf jaar na de ontbinding van het samenlevingscontract, derhalve op 22 september 2023.