Uitspraak
RECHTBANK Limburg
[naam erflater],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 t/m 4
- het bericht van 27 januari 2025 met producties 5 t/m 9 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2025
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
veilingprijs’) en € 20.650,-- (‘
kopen bij BOVAG autobedrijf’) lag. De rechtbank acht het reëel om de richtprijs ‘
aan- en verkoop tussen particulieren’, die € 19.000,- bedroeg, als uitgangspunt te nemen. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de auto bepaald dient te worden op datum overlijden erflater zijnde [datum] 2023. [gedaagde] heeft immers vanaf dat moment het uitsluitend gebruik van de auto gehad terwijl auto’s, mede door het gebruik, relatief snel in waarde dalen. [eiseres] heeft de waarde op € 20.000,- geschat hetgeen door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd is weersproken. De rechtbank komt het bedrag van € 20.000,- ook niet onredelijk voor, gezien het feit dat de richtprijs ‘
aan- en verkoop tussen particulieren’ ruim 13 maanden na peildatum € 19.000,- bedroeg. Zij zal de waarde van de auto dan ook op dat bedrag bepalen. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 10.000,- aan [eiseres] dient te voldoen.
NJ1996/616). Hetzelfde geldt indien het geld op een gezamenlijke rekening van beide echtgenoten is gestort.
€ 165.512,65((€ 343.539,00 – € 12.513,71) : 2) aan [eiseres] dient te voldoen.