ECLI:NL:RBLIM:2025:4474

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 mei 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
C/03/341411 / HA RK 25-59
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking niet-ontvankelijk wegens te late indiening na vonnis

Op 30 april 2025 vond de mondelinge behandeling van de strafzaak plaats bij de politierechter van de rechtbank Limburg. Tijdens deze zitting sprak de rechter mondeling het vonnis uit. Direct na de zitting diende verzoeker schriftelijk een wrakingsverzoek in tegen de politierechter, dat echter na het vonnis werd ingediend.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek op grond van artikel 512 en Pro 513 van het Wetboek van Strafvordering en het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg. Uit de procedure en de verklaringen van verzoeker en de rechter bleek dat het wrakingsverzoek pas werd gedaan nadat de rechter al was begonnen met het uitspreken van het vonnis, terwijl de wet vereist dat een wrakingsverzoek tijdig, dus vóór het vonnis, wordt ingediend.

De wrakingskamer stelde vast dat het verzoek niet tijdig was en daarom niet ontvankelijk kon worden verklaard. Ook een mondeling wrakingsverzoek tijdens het uitspreken van het vonnis is te laat. De beslissing werd zonder behandeling ter zitting genomen en op 8 mei 2025 in het openbaar uitgesproken. Het verzoek tot wraking werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat, na het vonnis, is ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/341411 / HA RK 25-59
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [plaatsnaam] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. M.J.H. van den Hombergh, politierechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter.

1.De procedure

Op 30 april 2025 vond de mondelinge behandeling van de zaak van verdachte bij de politierechter plaats. De rechter heeft mondeling uitspraak gedaan. Dezelfde dag na de zitting is door verzoeker schriftelijk een verzoek tot wraking van de rechter ingediend.
Op 30 april 2025 heeft de rechter de wrakingskamer bericht dat zij niet in de wraking berust. Zij heeft op 1 mei 2025 een schriftelijke reactie ingediend.

2.De beoordeling

Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Een wrakingsverzoek moet tijdig worden gedaan. Artikel 513 Sv Pro bepaalt dat het verzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.
In artikel 4, lid 2, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg is bepaald dat de wrakingskamer een verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds niet ontvankelijk kan verklaren als het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan.
De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek. Verzoeker stelt dat hij tijdens de behandeling een beroep heeft gedaan op het recht tot wraking en dat daaraan door de rechter geen gehoor is gegeven. De behandeling van de zaak is door een mondeling vonnis tot een einde gekomen. Verzoeker persisteert bij zijn verzoek.
De rechter heeft in haar reactie verwoord dat verzoeker het tijdens de behandeling niet eens was met de gang van zaken en dat hij daar opmerkingen over had. Deze betroffen echter het horen van de getuigen. De verzoeker onderbrak haar blijkbaar opnieuw tijdens het doen van de uitspraak, toen was de behandeling ter zitting al gesloten. Wat verzoeker toen zei, heeft de rechter niet gehoord en dat ook niet bij hem nagevraagd, maar zij heeft hem gezegd dat hij haar moest laten uitspreken.
Een wrakingsverzoek kan worden gedaan tot aan het uitspreken van het vonnis. Het schriftelijk ingediende wrakingsverzoek dat na het vonnis is ingediend is om die reden te laat ingediend. Hetzelfde geldt overigens voor het wrakingsverzoek dat verzoeker op 30 april 2025 mondeling heeft gedaan. Uitgaande van de verklaring van zowel verzoeker als de rechter heeft verzoeker na het sluiten van het onderzoek ter zitting, tijdens het uitspreken van het vonnis, de rechter willen wraken. Dat de rechter niet gehoord heeft wat hij op dat moment zei, is niet onaannemelijk, zij was immers bezig met het uitspreken van het vonnis. Maar wat daar ook van zij, ook toen was verzoeker al te laat met het wrakingsverzoek, nu het onderzoek ter terechtzitting reeds was gesloten en de rechter begonnen was met het doen van de mondelinge uitspraak Daarbij is van belang dat de wet er van uitgaat dat een vonnis in zijn geheel wordt uitgesproken en dat niet aanvaardbaar is dat een wrakingsverzoek afhankelijk wordt gemaakt van de inhoud van het eindvonnis. Dat betekent dat het wrakingsverzoek, gedaan op een moment dat de rechter reeds met het mededelen van de einduitspraak was begonnen, niet als tijdig kan worden aangemerkt. Vergelijk ook de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag d.d. 20 februari 2017 [1] .
Gelet op artikel 4, tweede lid, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol rechtbank Limburg zal de wrakingskamer dit beslissen zonder behandeling ter zitting.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
- verklaart het verzoek niet ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. Y.J.C.A. Roeffen en mr. W.F.J. Aalderink, rechters, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
De uitspraak is ondertekend door mr. W.F.J. Aalderink, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen. De griffier is eveneens verhinderd te ondertekenen.