Uitspraak
[eiser 2], wonende te [woonplaats] , eisers
[derde-partij 1](vergunninghoudster) en de vennootschap
[derde-partij 2]
ex tuncbij de beantwoording van de vraag of een MER nodig is. Die constatering noodzaakt, naar het oordeel van de rechtbank, tot het oordeel dat verweerder bij de beantwoording van de ‘MER-vraag’ moet kiezen voor een benadering
ex nunc, zijnde de hoofdregel voor bestuursorganen bij het nemen van besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank voelt zich in dezen gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 15 maart 2017 [1] over uitgangspunten die moeten worden gehanteerd bij beantwoording van de vraag of de vaststelling van een bestemmingsplan gepaard moet gaan met het laten opstellen van een MER.
29.De beroepsgrond slaagt niet.
35.De beroepsgrond slaagt niet.
- verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op het ontbreken van voorschriften met betrekking tot verplichte rijroutes;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit niet voorziet in voorschriften met betrekking tot verplichte rijroutes op en rondom de inrichting;
- voorziet zelf in de zaak, door vergunningvoorschriften, zoals geformuleerd in rechtsoverweging 67 van deze uitspraak, aan het bestreden besluit toe te voegen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 1.814,-
- bepaalt dat verweerder het door eisers voor hun beroep betaalde griffierecht van