Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen hoe hard de fietser exact heeft gereden. De verklaring van een andere bestuurder, die enkele minuten voor het ongeval dezelfde elektrische fiets met een hoge snelheid voorbij zag rijden, zegt onvoldoende over de snelheid van de fietser op het moment van het naderen van de kruising van de Nusterweg met de Gasthuisgraaf.
Dat betekent dat het scenario dat de verdachte de fietser in de gegeven omstandigheden onmogelijk heeft kunnen zien niet kan worden uitgesloten en dat brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte zeer, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg, zoals bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994, sprake dient te zijn van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid op de weg. Er moet sprake zijn van evident gevaarlijk rijgedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt (vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 66: ‘Overigens is het niet de bedoeling dat bij iedere vorm van hinder de algemene bepaling zal worden toegepast. Immers, lichte vormen van hinder zijn in het hedendaagse verkeer niet te vermijden. De bepaling strekt er slechts toe evidente vormen van gevaar of hinder aan te pakken.’). Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om de gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval. Het enkel schenden van een gedragsregel in het verkeer levert dus niet zonder meer het veroorzaken van gevaar of hinder op als hiervoor bedoeld.
4.De beslissing
spreekthem daarvan
vrij.
De tenlastelegging