Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
Rechtbank Limburg
De werknemer is sinds 2011 in dienst bij de werkgever en kreeg in mei 2025 een officiële waarschuwing wegens vermeende werkweigering na een conflict op de werkvloer. Na ziekmelding en advies van twee bedrijfsartsen over stressgerelateerde klachten, werd de werknemer uitgenodigd voor gesprekken, maar hij kon niet op korte termijn verschijnen en wilde mediation inzetten.
De werkgever schortte vervolgens het loon op en stopte de loonbetaling wegens het niet verschijnen bij de gesprekken, ondanks het advies van de bedrijfsartsen om de situatie rustig en met mediation op te lossen. De kantonrechter oordeelde dat de loonopschorting en -stop onterecht waren opgelegd omdat de werkgever geen redelijke termijn gaf en de druk uitoefende die de re-integratie frustreerde.
De kantonrechter wees de vordering van de werknemer toe tot betaling van het salaris vanaf 16 mei 2025 tot 19 augustus 2025, de datum waarop de werknemer daadwerkelijk aan mediation deelnam en de loonbetaling werd hervat. De werkgever werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten. De vordering tot vakantiebijslag werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van verschuldigdheid.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het loon van 16 mei tot 19 augustus 2025 en proceskosten.