ECLI:NL:RBLIM:2025:8855

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 september 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
C/03/344569 en C/03/344571
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigd vermoeden van vooringenomenheid

Verzoeker heeft twee wrakingsverzoeken ingediend tegen mr. Bosma, rechter in een zaak over verlenging van voorlopige hechtenis. De verzoeken zijn gebaseerd op het ontbreken van een deel van het raadkamerdossier, waardoor de verdediging onvoldoende voorbereid zou zijn. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen het weigeren van de rechter om de behandeling aan te houden of te verplaatsen naar de middag.

De wrakingskamer heeft de verzoeken op 28 augustus 2025 behandeld en op 11 september 2025 uitspraak gedaan. De kamer overwoog dat een procesbeslissing, zoals het weigeren van uitstel, op zichzelf geen grond voor wraking kan zijn tenzij sprake is van een uiting van vooringenomenheid. In dit geval was geen sprake van een zodanige uiting. De rechter had zijn beslissing gemotiveerd met verwijzing naar de drukke agenda en het belang van tijdige beslissing over voorlopige hechtenis.

De wrakingskamer concludeerde dat het ontbreken van stukken en het weigeren tot aanhouding niet objectief gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd als een vermoeden van vooringenomenheid. Daarom werden de wrakingsverzoeken ongegrond verklaard en werd de behandeling van de zaak voortgezet.

Uitkomst: De wrakingsverzoeken tegen de rechter zijn ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
wrakingskamer
Zaaknummers C/03/344569 / HA RK 25-139 en C/03/344571/ HA RK 25-140
Datum beslissing 11 september 2025
Beslissing op de verzoeken tot wraking van:
[verzoeker],
verblijvende te [plaatsnaam] ,
thans gedetineerd te PI [locatie] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. M. Rafik.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op donderdag 14 augustus 2025 via de e-mail binnengekomen wrakingsverzoek en de onderliggende e-mails [1] ;
- het proces-verbaal verhoor verdachte in de raadkamer van 14 augustus 2025 tevens wrakingsproces-verbaal en de daaraan gehechte e-mail van de waarnemer van mr. Rafik van 14 augustus 2025 om 10:22 uur;
- de schriftelijke reactie van de rechter.
1.2.
De wrakingsverzoeken zijn op 28 augustus 2025 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling is de advocaat van verzoeker verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
De verzoeken tot wraking zijn gericht tegen mr. Bosma in de zaak met parketnummer 03-201848-25
2.2.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan de wrakingsverzoeken.
1e wrakingsverzoek
2.3.
De advocaat van verzoeker heeft op 13 augustus 2025, daags vóór de behandeling van de vordering verlenging gevangenhouding, het raadkamerdossier ontvangen van de rechtbank [2] . De advocaat van de verzoeker constateert dat stukken ontbreken. Hij heeft slechts deel één van de twee delen van het raadkamerdossier ontvangen. Om die reden heeft de advocaat van verzoeker geprobeerd in contact te komen met de rechtbank. Om 17:11 uur van diezelfde dag vraagt de advocaat van verzoeker (via e-mail) om de behandeling van de vordering aan te houden vanwege de ontbrekende stukken en de behandeling van de ochtend naar de middag te verplaatsen. Op dat moment is niemand meer aanwezig van de griffie van de rechtbank. Op 14 augustus 2025, de dag van de behandeling, om 8:28 uur laat de rechtbank aan de advocaat van verzoeker weten dat de rechter niet akkoord gaat met een aanhouding/ verplaatsing naar de middag van de zaak en dat deze op het geplande tijdstip door zal gaan. Om 08:45 uur laat de advocaat van verzoeker aan de rechtbank weten dat de rechter gewraakt wordt, omdat het voor de verdediging niet mogelijk is om een adequate verdediging te voeren zonder over alle stukken te beschikken en enige voorbereidingstijd. De advocaat van verzoeker laat tevens weten dat verzoeker in zijn belangen geschaad wordt en dat dit een schending oplevert van artikel 6 EVRM Pro.
De rechter toont door zijn weigering de zaak te verplaatsen aan vooringenomen te zijn.
2e wrakingsverzoek
2.4.
Omdat de behandeling van de vordering niet is aangehouden heeft de advocaat van verzoeker een collega-advocaat, mr. S. Wetsema, gevraagd om voor hem waar te nemen tijdens de zitting in de ochtend en daarbij wederom te verzoeken de behandeling aan te houden tot in ieder geval in de middag. De waarnemend advocaat van verzoeker heeft tijdens de behandeling opnieuw een aanhoudingsverzoek gedaan vanwege de ontbrekende stukken en onvoldoende voorbereidingstijd. De rechter heeft het aanhoudingsverzoek wederom afgewezen. Daarop heeft de waarnemend advocaat van verzoeker de rechter opnieuw gewraakt op dezelfde gronden als de advocaat van verzoeker. De waarnemend advocaat van verzoeker heeft nog aangevoerd dat de rechter een groter belang hecht aan proceseconomische redenen dan aan het recht op een eerlijk proces.
Daarbij is ook nog van belang dat er door de verdediging een andere oplossing is voorgesteld, namelijk om de raadkamer later die dag plaats te laten vinden, zodat de verdediging in ieder geval kennis kon nemen van de stukken.
2.5.
De rechter berust niet in de wraking.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal de wrakingsverzoeken aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing van de rechter geen grond vormt voor wraking. De beslissing om geen uitstel van de behandeling te verlenen, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (onder andere ECLI:NL:HR:2018:1413) blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
Ook voor de motivering van de procesbeslissing geldt in het algemeen dat dit geen grond is voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle
omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan
worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid.
Omdat de rechter, naar aanleiding van het verzoek om aanhouding van de advocaat van verzoeker, zijn procesbeslissing niet heeft gemotiveerd kan van die (uitzondering)situatie in dit geval geen sprake zijn. Er is dan ook geen grond voor wraking.
3.4.
Wat betreft het 2e wrakingsverzoek heeft de rechter tijdens de behandeling zijn procesbeslissing gemotiveerd.
In het proces-verbaal is daarover opgenomen:
“De rechter legt uit dat hij nog voorafgaand aan de behandeling van de vordering verlenging voorlopige hechtenis collegiaal overleg heeft gehad en ook overleg heeft gehad met de collega’s die vandaag de meervoudige raadkamer gevangenhouding doen, maar dat die laatsten hebben aangegeven dat er reeds 24 zaken behandeld dienden te worden, waardoor zij niet in de gelegenheid zijn om eventueel in te springen. En vanmiddag werk ik niet. En er dient een beslissing genomen te worden over de voorlopige hechtenis.”
3.5.
Deze motivering van de rechter kan door de wrakingskamer - in het licht van alle omstandigheden van het geval [3] en naar objectieve maatstaven gemeten -
nietworden begrepen als een uiting van vooringenomenheid.
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer de verzoeken tot wraking ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart de verzoeken tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, mr. R.H.J. Otto en mr. A.K. Kleine en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2025.
no

Voetnoten

1.De e-mail van 13 augustus 2025 om 11:43 uur van de rechtbank aan mr. Rafik, waarin aan hem wordt medegedeeld dat het raadkamerdossier in de mail is bijgevoegd. De e-mail van 13 augustus 2025 om 17:11 uur van mr. Rafik aan de rechtbank, waarin mr. Rafik een verzoek tot aanhouding doet vanwege ontbrekende stukken en verzoekt om de behandeling in de middag te plannen. De e-mail van 14 augustus 2025 om 08:28 uur van de rechtbank aan mr. Rafik, waarin namens de rechter aan mr. Rafik wordt bericht dat hij niet akkoord gaat met de aanhouding van de zaak.
2.Omdat het OM niet in staat was om de stukken aan mr. Rafik toe te zenden, heeft de rechtbank dit gedaan.
3.waaronder de door de advocaat van verzoeker geschetste situatie van het ontbrekende raadkamerdossier, onvoldoende voorbereidingstijd hebben en het verzoek van de verdediging om de behandeling in de middag te plannen