ECLI:NL:RBLIM:2025:9354

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
C/03/344613 / HA RK 25-141
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens gebrek aan concrete wrakingsgronden

Op 4 september 2025 behandelde de wrakingskamer van de Rechtbank Limburg het verzoek tot wraking van een rechter in drie zaken. Verzoeker stelde dat er sprake was van vooringenomenheid en systematische schendingen van EU-rechten door de rechtbank. Tevens werd een mogelijke belangenverstrengeling genoemd.

De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit vermoeden weerleggen. Verzoeker bracht echter geen concrete feiten of omstandigheden aan die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid konden onderbouwen.

Daarom oordeelde de wrakingskamer dat het verzoek kennelijk ongegrond was en dat een mondelinge behandeling niet nodig was. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door drie rechters van de wrakingskamer.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van concrete wrakingsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/03/344613 / HA RK 25-141
Datum beslissing 4 september 2025
Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker],
te [plaatsnaam] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
in persoon procederende.

1.De procedure

1.1.
Blijkens het proces-verbaal van 14 augustus 2025 en het wrakingsverzoek dat op diezelfde dag is binnengekomen bij de rechtbank heeft [verzoeker] in de zaken met zaaknummers ROE 22/2796, ROE 22/2797 en ROE 23/1279 het verzoek tot wraking gedaan van de rechter mr. F.A. van de Ven (hierna: de rechter).
1.2.
De wrakingskamer heeft bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2.2.
Daarbij moet voorop worden gesteld dat, bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter, het uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
2.3.
Naar de wrakingskamer begrijpt, legt [verzoeker] navolgende wrakingsgronden aan het verzoek tot wraking ten grondslag:
[verzoeker] heeft geen vertrouwen meer in de rechtsgang;
beschermde EU-Burgerrechten worden door de Rechtbank Limburg systematisch geschonden;
er worden structureel EU- uitspraken en EU-voorschriften genegeerd;
[verzoeker] meende de naam van de rechter te herkennen. Of [verzoeker] de rechter kent of niet, zodra een belangenverstrengeling ontstaat of kan ontstaan is het foute boel;
de rechter heeft ongetwijfeld meerdere handhavingszaken in het nadeel van een burger afgedaan die strijdig zijn met een EU-uitspraak.
2.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat uit artikel 8:15 Awb Pro blijkt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die de
persoonvan de rechter betreffen. Voor alle hiervoor opgenomen wrakingsgronden geldt dat [verzoeker] geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de behandelend bestuursrechter vooringenomen is tegen [verzoeker] of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestaat. Hetgeen [verzoeker] aan het verzoek tot wraking ten grondslag heeft gelegd, kan dan ook geen grond voor wraking opleveren.
2.5.
De conclusie is dat de wrakingskamer - gelet op al het voorgaande - het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond acht. De mondelinge behandeling kan om die reden achterwege blijven.

3.De beslissing

De wrakingskamer
3.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A.J. van Leeuwen, mr. R.H.J. Otto en mr. A.K. Kleine en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025.
no