ECLI:NL:RBLIM:2026:1109

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
ROE 24/1484
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.10 WaboArt. 2.1 WaboArt. 2.26 WaboArt. 3a BorArt. 6.4 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College mag aanvraag omgevingsvergunning voor rijksmonument buiten behandeling stellen

Eiser diende een aanvraag in voor een omgevingsvergunning om woon- en zorgappartementen te realiseren in het voormalig Koetshuis, een rijksmonument te Roosteren. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling omdat eiser niet alle gevraagde aanvullende stukken aanleverde, noodzakelijk voor de beoordeling van de activiteit 'bouwen'.

Eiser stelde dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing was en dat de vergunning van rechtswege was verleend omdat het college niet binnen de beslistermijn had beslist. Tevens voerde hij een beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel aan. De rechtbank oordeelde dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo, omdat sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, en een adviseur is aangewezen.

De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat het college geen keuzevrijheid heeft in de toepasselijke voorbereidingsprocedure en het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat eiser onvoldoende onderbouwing gaf. Ook was geen sprake van gewoon onderhoud. De aanvraag viel onder de uitgebreide voorbereidingsprocedure, waardoor geen vergunning van rechtswege kon ontstaan en het college de aanvraag terecht buiten behandeling stelde.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, hij kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R.N. Crombaghs op 3 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het college de aanvraag terecht buiten behandeling heeft gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/1484

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.J.P. Baur),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren

(gemachtigde: S.M.J. Huijnen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college terecht heeft besloten de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van woon- en zorgappartementen in voormalig Koetshuis te Roosteren buiten behandeling te stellen. De aanvraag is buiten behandeling gesteld omdat eiser niet alle gevraagde gegevens heeft aangeleverd. Eiser is het daar niet mee eens. Volgens hem is de vergunning van rechtswege verleend omdat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en de beslistermijn is verstreken. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen. Op de aanvraag van eiser is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing en om die reden is de omgevingsvergunning niet van rechtswege verleend. Ook is geen sprake van gewoon onderhoud. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Met het besluit van 23 januari 2023 heeft het college die aanvraag buiten behandeling gesteld.
2.1.
Eiser heeft tegen de buiten behandeling stelling bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 23 januari 2024 (het bestreden besluit) bij de buiten behandeling stelling gebleven.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Op 6 september 2022 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om in het voormalig Koetshuis, een rijksmonument aan de [adres] te Roosteren, woon- en zorgappartementen te realiseren. De aanvraag ziet op het wijzigen, herstellen of slopen van het monument. Het college heeft aanvankelijk aangegeven dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is.
3.1.
Bij de beoordeling van de aanvraag kon het college niet vaststellen of deze alleen betrekking had op het wijzigen of slopen van het monument, of dat ook de activiteit ‘bouwen’ aan de orde was. Daarom heeft het college om aanvullende informatie gevraagd. Eiser heeft toegelicht dat geen vergunning voor de activiteit ‘bouwen’ wordt aangevraagd, omdat volgens hem geen constructieve wijzigingen plaatsvinden. Het college vond deze toelichting onvoldoende en heeft opnieuw om stukken gevraagd. Uit de aanvullend ingediende stukken heeft het college geconcludeerd dat wel sprake is van de activiteit ‘bouwen’, waarvoor een vergunning is vereist.
3.2.
Omdat de aanvraag volgens het college mede betrekking heeft op de activiteit ‘bouwen’, zijn nadere stukken opgevraagd om te beoordelen of voor deze activiteit vergunning kan worden verleend. Eiser bleef bij zijn standpunt dat geen sprake is van bouwen en heeft de gevraagde stukken daarom niet aangeleverd. Omdat het college de gevraagde stukken niet heeft ontvangen, is de aanvraag op 23 januari 2023 buiten behandeling gesteld. [1]
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Beroepsgronden eiser
5. Volgens eiser is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend, omdat op zijn aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en het college niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft beslist. Daarnaast stelt eiser dat zijn aanvraag niet onder de Wabo valt, en in het bijzonder niet onder artikel 3.10 van de Wabo. De uitgebreide voorbereidingsprocedure zou ook daarom niet van toepassing zijn. Tot slot betoogt eiser dat zijn aanvraag uitsluitend betrekking heeft op gewoon onderhoud, waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is. De rechtbank zal de beroepsgronden hierna afzonderlijk bespreken.
Is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend?
6. Eiser stelt dat op zijn aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Hij beroept zich primair op het vertrouwensbeginsel, omdat het college aanvankelijk heeft meegedeeld dat de reguliere procedure zou worden gevolgd. Volgens eiser is het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat pas tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie is aangegeven dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar drie uitspraken. [2] Daarnaast doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat bij een eerdere, vergelijkbare aanvraag voor hetzelfde pand (twee andere ruimtes) wel de reguliere procedure is toegepast. Uit voorgaande leidt eiser af dat op zijn aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. Omdat het college niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft beslist, is volgens eiser de omgevingsvergunning van rechtswege verleend. Daarom mocht het college de aanvraag niet meer buiten behandeling stellen.
7. De rechtbank overweegt dat op de reguliere procedure voor de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing is verklaard. Uit die paragraaf volgt dat, als niet tijdig op de aanvraag is beslist, de aangevraagde vergunning van rechtswege is verleend. Deze paragraaf is niet van toepassing bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Om te beoordelen of eisers beroep slaagt, is dus van belang welke voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is. Uit vaste rechtspraak volgt dat de beantwoording van deze vraag, gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van Wabo, afhankelijk is van de activiteit die is aangevraagd. [3] De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om een omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit. [4] Gelet hierop is niet van belang dat het college zich in eerste instantie op het standpunt heeft gesteld dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is en zich pas later op het standpunt heeft gesteld dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Om die reden slaagt eisers stelling dat als eenmaal gekozen is voor de reguliere voorbereidingsprocedure, op grond van het vertrouwensbeginsel daarvan niet kan worden afgeweken, niet. De door eiser aangehaalde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel. Deze uitspraken hebben betrekking op een andere situatie en zien niet op de vraag of het vertrouwensbeginsel een rol kan spelen bij de bepaling welke voorbereidingsprocedure van toepassing is.
8. Ook oordeelt de rechtbank dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Dat sprake is van een gelijk geval is door eiser niet nader onderbouwd. De enkele verwijzing op zitting naar een eerdere aanvraag is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van gelijke gevallen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk waaruit die eerdere aanvraag precies bestond, noch welke procedure daarop is toegepast. Ook blijkt dit niet uit de stukken. De beroepsgronden over het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de toepasselijkheid van de reguliere procedure slagen niet. Om vast te stellen welke voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de aanvraag valt onder een activiteit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wabo voor zover hier van belang, artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo. Uit dit artikel volgt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is als sprake is van een activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, voor zover krachtens artikel 2.26, derde lid, van de Wabo een adviseur is aangewezen.
Is sprake van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f?
9. Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f van de Wabo volgt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
10. Eiser stelt dat zijn aanvraag geen betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f van de Wabo. Hij voert aan dat uitsluitend sprake is van het verwijderen en herplaatsen van binnenwanden en het aanbrengen van nieuw sanitair. Hiermee wordt het monument op geen enkele wijze in gevaar gebracht of ontsierd en daarmee valt de aanvraag niet onder dit verbod. Mocht er al sprake zijn van een aanvraag die betrekking heeft op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f van de Wabo, dan betoogt eiser dat geen vergunning is vereist omdat sprake is van gewoon onderhoud. [5]
11. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van het in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument zodat de activiteit valt onder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo. Uit de processtukken en hetgeen ter zitting is meegedeeld volgt dat eiser het monument gaat verbouwen van kantoorruimte naar meerdere woonruimtes. Dit zal onder meer gebeuren door het aanbrengen van nieuwe scheidingswanden en nieuw aan te brengen sanitair. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van ‘in enige opzicht wijzigen’ van een rijksmonument. Dat het rijksmonument niet wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht maakt niet dat geen sprake kan zijn van een activiteit als genoemd in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f. Dit artikel bevat een óf-of-constructie. De bepaling verbiedt enerzijds het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument, en anderzijds het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Voor toepassing van voornoemd artikel is het voldoende dat zich één van deze twee situaties voordoet. Dat betekent dat niet vereist is dat het rijksmonument wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Ook wanneer uitsluitend sprake is van het in enig opzicht wijzigen van het monument, valt de activiteit reeds onder de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f. Verder oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van gewoon onderhoud zoals bedoeld in artikel 3a van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Zoals eerder is overwogen heeft eiser sanitaire voorzieningen gerealiseerd en worden de ruimtes opnieuw ingedeeld door het (her)plaatsen van scheidingswanden. Deze werkzaamheden gaan verder dan het uitvoeren van gewoon onderhoud en leiden tot een wezenlijke wijziging van het gebruik en de indeling van het pand. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is krachtens artikel 2.26, derde lid, van de Wabo een adviseur aangewezen?
12. Artikel 2.26, derde lid, van de Wabo bepaalt dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, wanneer voor die activiteit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een adviseur is aangewezen. Om vast te stellen of daarvan sprake is, moet worden gekeken naar het Bor waarin de nadere uitwerking van deze aanwijzing is opgenomen. Artikel 6.4 van het Bor wijst, indien de activiteit betrekking heeft op een nieuwe bestemming aan een rijksmonument of een belangrijk deel daarvan, de Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap aan als adviseur. [6]
13. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een nieuwe bestemming als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van het Bor is het al dan niet wijzigen van een bestemming van een object in het bestemmingsplan niet van belang. Evenmin is van belang of sprake is van ingrijpende wijzigingen die mogelijk de monumentale waarde van het pand aantasten. De Afdeling wijst in dit verband op de nota van toelichting [7] bij het Bor. [8] In deze nota staat:
"Bij het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument gaat het om wijzigingen van het monument en de mogelijke aantasting van monumentale waarden ten gevolge van veranderend gebruik. Functie en staat van een monument zijn nauw met elkaar verweven. Een wijziging van deze twee-eenheid kan direct ingrijpen in de reden van de aanwijzing als beschermd monument."
14. De rechtbank overweegt dat het bouwplan van eiser voorziet in de verbouwing van het pand tot woon- en zorgappartementen. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Nu een voormalig kantoorruimte wordt verbouwd tot woon- en zorgappartementen is sprake van veranderend gebruik (functie) van het pand. De functie van het pand wijzigt namelijk van ‘kantoor’ naar ‘wonen’. Ook blijkt uit de aanvraag dat er werkzaamheden zullen plaatsvinden in het pand. Onder verwijzing naar de nota van toelichting is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de criteria van een nieuwe bestemming in de zin van artikel 6.4, eerste lid, onder a, sub 4°, Bor. Gevolg daarvan is dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als adviseur is aangewezen en dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag.
14.1.
Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat in dit geval sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo. Dit betekent dat op de aanvraag van eiser de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Omdat bij deze procedure geen vergunning van rechtswege kan ontstaan, slaagt het beroep van eiser niet.

Conclusie en gevolgen

15. De rechtbank is van oordeel dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag van eiser. Dit betekent dat de omgevingsvergunning niet van rechtswege is verleend en het college de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen. Eiser heeft verder niet inhoudelijk betwist dat, indien de uitgebreide procedure van toepassing is, de aanvraag terecht buiten behandeling mocht worden gesteld door het college. Het beroep is dus ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
K.H.H. van Leeuwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 3 februari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 februari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2017, ECLI:RVS:2017:372, r.o. 3.2.
5.Uit artikel 3a van bijlage II het Bor volgt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f niet is vereist als deze betrekking heeft op gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen.
6.Dit volgt uit artikel 6.4, eerste lid, onder 4° van het Bor.
7.Stb. 2010, 143, blz. 100.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1648, r.o. 5.2.