ECLI:NL:RBLIM:2026:1239

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
11709121 CV 25-2414
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:50 BWArt. 5:37 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens uitzicht boomhut niet in strijd met artikel 5:50 BW

Eisers vorderden dat de deur(opening) en/of het balkon van de boomhut van gedaagden onrechtmatig zouden zijn aangebracht omdat deze uitzicht geven op hun perceel, in strijd met artikel 5:50 BW Pro. Zij wilden dat gedaagden voorzieningen zouden treffen om het uitzicht te beperken of de boomhut geheel te verwijderen.

De rechtbank verwees naar de wettelijke bepalingen en jurisprudentie die bepalen dat alleen rechtstreekse, loodrechte uitzichten op naburige erven onder artikel 5:50 BW Pro vallen, niet uitzichten in de schuinte. Tijdens een plaatsopneming werd vastgesteld dat het uitzicht vanuit de boomhut en het balkon slechts in schuine richting op het perceel van eisers is, terwijl het rechtstreekse uitzicht op het naastgelegen pad en daken van schuurtjes ligt.

De rechtbank oordeelde dat de deuropening en het balkon geoorloofd zijn omdat het uitzicht niet in rechte hoek op het perceel van eisers is. Ook een kadastrale meting veranderde hier niets aan, mede omdat het pad tussen de percelen een recht van overpad kent. Eisers deden geen beroep op artikel 5:37 BW Pro (onrechtmatige hinder). De vorderingen werden afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van eisers worden afgewezen omdat het uitzicht vanuit de boomhut niet rechtstreekse inbreuk maakt op hun perceel volgens artikel 5:50 BW.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11709121 \ CV EXPL 25-2414
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[eisende partij 1] ,2. [eisende partij 2] ,

beiden wonende te [woonadres 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] ,
gemachtigde: mr. D. Laumen (Sijben & Partners),
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,2. [gedaagde partij 2] ,

beiden wonende te [woonadres 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
gemachtigde: drs. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (OSLL-In Balance B.V.)

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eisende partijen] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - samengevat -:
- te verklaren voor recht dat de deur(opening) in de muur van de boomhut van [gedaagde partijen] en/of het balkon van de boomhut, en/of de volledige boomhut van [gedaagde partijen] onrechtmatig ex artikel 5:50 BW Pro is aangebracht;
- primair [gedaagde partijen] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, zodanige voorzieningen te treffen, zodat er vanuit de deur(opening) in de muur van de boomhut en/of vanaf het balkon van de boomhut, geen zicht op het perceel van [eisende partijen] meer mogelijk is en niet meer mogelijk zal zijn, op straffe van een dwangsom,
- subsidiair [gedaagde partijen] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, de deuropening in de muur van de boomhut en/of het balkon van de boomhut, dan wel de volledige boomhut, te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom,
- [gedaagde partijen] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.
2.2.
[gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partijen] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partijen] , met veroordeling van [eisende partijen] in de kosten van deze procedure.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Verwezen wordt naar de tussenvonnissen van 10 september 2025 en 8 oktober 2025. De kantonrechter blijft bij hetgeen daarin is overwogen en beslist.
3.2.
Bij tussenvonnis van 8 oktober 2025 is een plaatsopneming en bezichtiging bevolen van de boomhut in de tuin van [gedaagde partijen] Deze heeft plaatsgevonden op dinsdag 13 januari 2026.
3.3.
Partijen zijn in geschil over de vraag of de boomhut in de tuin van [gedaagde partijen] al dan niet onrechtmatig is aangebracht. [eisende partijen] legt aan zijn vordering artikel 5:50 BW Pro ten grondslag.
3.4.
Artikel 5:50 lid 1 BW Pro bepaalt dat het, behoudens toestemming van de eigenaar van het naburige erf, niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van een naburig erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dat erf uitzicht geven. Uit het slot van deze bepaling blijkt dat zij ertoe strekt de mogelijkheid van uitzicht op naburige erven te beperken. Het komt aan op de afstand tussen de grenslijn van het ene erf, en de vensters of andere muuropeningen dan wel balkon of soortgelijke werken van het naburige erf. Die afstand dient twee meter te zijn. Lid 3 van artikel 5:50 BW Pro geeft aan hoe die afstand moet worden gemeten: rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven (lees: het naburig erf) of de muur.
3.5.
Het doel en de strekking van artikel 5:50 BW Pro is de bescherming van de visuele privacy. Uit het bepaalde in het derde lid van art. 5:50 BW Pro wordt in samenhang met de parlementaire geschiedenis naar vaste jurisprudentie afgeleid dat de wetgever met ‘uitzicht’ enkel relevant acht een ‘rechtstreeks uitzicht’ oftewel een uitzicht ‘recht naar voren’ en geen ‘uitzicht ter zijde of in de schuinte’ [1] . Doorslaggevend is met andere woorden de zichtlijn die loodrecht op de openingen staat. Met deze interpretatie wordt geabstraheerd van alle nuances van het kijken. Relevant is slechts het zicht dat haaks staat op de muur waarin de opening is geplaatst dan wel dat haaks staat op balkons of soortgelijke werken. Dit heeft tot gevolg dat uitzicht ‘in de schuinte’ niet wordt betrokken bij de beoordeling in het kader van artikel 5:50 BW Pro. [2]
3.6.
Aan het voorgaande ligt ten grondslag dat bij de hedendaagse wijze van bouwen, vooral in dichtbevolkte gebieden waar elke vierkante meter telt, het gebruikelijk (en wellicht ook noodzakelijk) is om dicht op elkaar te bouwen. De wetgever heeft daardoor niet kunnen vasthouden aan de eis dat er altijd, vanaf alle gezichtspunten, een bepaalde afstand moet zijn. Daarnaast is het steeds meer gebruikelijk aanbouwen te plaatsen met grote ramen en/of schuifpuien, zodat er van alle kanten licht en lucht binnenkomt, maar dus ook inkijk. Wanneer de regeling in een specifiek geval onredelijk of te streng is, kan de kantonrechter ingrijpen op grond van het principe van misbruik van recht, wanneer daar een beroep op wordt gedaan.
3.7.
Tijdens de descente heeft de kantonrechter allereerst ten aanzien van de deuropening in de boomhut het volgende geconstateerd:
- vanuit de boomhut door de deuropening gekeken, en vanaf het zogenaamde balkon dat zich voor de deuropening bevindt, bestaat in een rechte hoek uitzicht op het gangpad dat naast de woning van [eisende partijen] ligt. Verder bestaat in een rechte hoek uitzicht op de daken van de schuurtjes van de buren van [gedaagde partijen] aan de [straat] .
3.8.
Van het uitzicht vanuit de boomhut en vanaf het balkon zijn de volgende foto's gemaakt:
X (foto verwijderd) uitzicht vanuit de boomhut
X (foto verwijderd) uitzicht vanuit het balkon
↑ Het verlengde van het perceel van [eisende partijen] is het begin van het perceel van
[gedaagde partijen] , met daartussenin het gangpad aan de achterzijde van het perceel van [eisende partijen]
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van deze deuropening en dit balkon geoorloofd is. Zowel vanuit de deuropening als vanuit het balkon is weliswaar sprake van een uitzicht op de tuin en de woning van [eisende partijen] , maar dit is enkel in schuine richting. Dat is geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die artikel 5:50 BW Pro beoogt te beschermen. Het rechtstreekse uitzicht, dat bepalend is (zie r.o. 3.5.) bestaat dus niet op de tuin en de woning van [eisende partijen] , maar op het naastgelegen pad en de daken van de schuurtjes gelegen aan de [straat] . De achterzijde van het perceel van [gedaagde partijen] eindigt bovendien in het verlengde van het begin van het perceel van [eisende partijen] (zie pijl). De hoek van de scheidingsmuur van [eisende partijen] ligt in lijn met de achterzijde van het perceel van [gedaagde partijen] Het perceel van [gedaagde partijen] ligt dan ook niet achter het perceel van [eisende partijen] , maar diagonaal ervan. Dat maakt het al niet mogelijk om in een rechte hoek op het perceel van [eisende partijen] te kijken.
3.10.
De in opdracht en voor rekening van [eisende partijen] uitgevoerde kadastrale meting maakt het voorgaande niet anders. Deze meting is enkel in het kader van deze procedure uitgevoerd, althans anderszins is gesteld noch gebleken. [gedaagde partijen] is niet bij deze meting betrokken. Voor zover de kadastrale grens van het perceel van [eisende partijen] al in het midden van het gangpad zou liggen en zou doorlopen tot aan het perceel van [gedaagde partijen] , is dit niet meer dan een theoretisch gegeven. Het naast en achter de woning van [eisende partijen] gelegen gangpad biedt toegang tot de achterzijden van de woningen van alle aanwonenden en hierop rust, onweersproken, een recht van overpad. Het zal voor [eisende partijen] niet mogelijk zijn het stukje pad fysiek bij zijn perceel te betrekken (door bijvoorbeeld de scheidsmuur midden in het pad te plaatsen). De huidige situatie is voor zover partijen weten ook al decennialang zo. Omdat dit stuk van het kadastrale perceel niet feitelijk tot het perceel van [eisende partijen] behoort, zou een beroep op artikel 5:50 BW Pro voor dat stuk grond misbruik van recht opleveren omdat het rechthoekige uitzicht op het gangpad niet de privacy van [eisende partijen] raakt.
3.11.
De kantonrechter is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de aanwezigheid van de deuropening in de boomhut en het balkon bij de boomhut niet ongeoorloofd zijn als bedoeld in artikel in artikel 5:50 BW Pro. In het kader van artikel 5:37 BW Pro (onrechtmatige hinder) zou wel het uitzicht in de schuinte kunnen worden meegewogen. Tijdens de mondelinge behandeling is gevraagd of een beroep wordt gedaan op artikel 5:37 BW Pro. [eisende partijen] heeft daarop (uitdrukkelijk) geantwoord dat daarop géén beroep wordt gedaan. Artikel 5:37 BW Pro zal daarom niet verder worden beoordeeld. Het voorgaande betekent dat de vordering van [eisende partijen] zal worden afgewezen.
3.12.
De overige door [gedaagde partijen] aangevoerde verweren kunnen onbesproken blijven.
3.13.
[eisende partijen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
3.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eisende partijen] af,
4.2.
veroordeelt [eisende partijen] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt [eisende partijen] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.zie Toelichting Meijers en de Memorie van Toelichting, Parlementaire Geschiedenis Boek 5, pagina 203 en verder.
2.vergelijk onder meer Hof Amsterdam 6 juli 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN0268, Rechtbank Utrecht 6 juni 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX1226 en Rechtbank Groningen 12 september 2012 ECLI:NL:RBGRO:2012: 2211.